Witte geiten.
Aan de bunders op het gehucht Lovenhoek en ook aan de plek “De Beeldekens” genaamd zit het niet pluis. Late voorbijgangers vertellen dat ze daar menig keer witte geiten zien rondlopen. De beesten lopen immer rond een plek, maar doen niemand kwaad. ’t Zijn volgens ’t zeggen der lieden geesten van afgestorvenen die veroordeeld zijn om in die gedaante gedurende zekere tijd zo rond te lopen, bij avond.

De arme leurder.
Dit gebeurde in de Lovenhoek, in de Sansculottentijd. Een leurder van Turnhout trok van deur tot deur. Omdat het al laat begon te worden vroeg de man, na zijn waren te hebben aangeboden, steeds slapen voor de nacht. De mensen, bevreesd voor de Sansculotten, dierven de leurder geen onderdak geven. De man was doodmoe en kon niet verder. Noodgedwongen ging hij dan maar in de kant liggen en dekte zich toe met wat dorre bladeren. Maar het was in de winter en ’t vroor hard die nacht. ’s Anderendaags vonden de bewoners van het gehucht de arme leurder stijf-doodgevroren.

Toen bekloegen velen die man, maar het was te laat geklaagd. En ter plaatse werd de arme bloed begraven. Men durfde hem niet op ’t kerkhof brengen, uit vrees voor de Fransen.

Het stallicht.
De feiten in deze legende verhaald gebeurden op de Molenheide, aan het huis van de molenaar, die dicht bij de molenberg woont, waar het volgens de mensen ’s nachts spookte.

Bij de maalder woonde een knecht, Sis geheten. Sis ging op zekere avond buiten een luchtje scheppen. Opeens ziet hij boven ’t jonge mastbos een licht, een stallicht, recht op hem afkomen. Verschrikt wijkt hij achteruit in huis, de deur achter zich dichtslaande. ’t Was hoog tijd. Er werd hevig op de deur gebonsd, maar Sis had er de grendel voorgeschoven.

Als men ’s morgens ging zien, bemerkte men ’t ingebrande merk van een hand in de deur, die voorzeker Sis had willen grijpen.

Advertenties