Daar had een boer, Stijn geheten, zijn gebuur vermoord.

’s Nachts kwam de geest van de vermoorde terug in de gedaante van een weerwolf. Die brak in de hoeve binnen en kwam om de geest van zijn moordenaar. De boer kroop diep onder het beddegoed en de boerin, van angst versteven, zei: “Hij is niet thuis. Hij is gevlucht naar het Giels bos.” De weerwolf nam wraak en slokte het kind op dat in de wieg sliep, naast de beddekoets.

De boerin huilde hem achterna en riep: “Hij is wel thuis; maar hij zit verborgen in de schuur!” – “Ik kom morgen terug”, zei de weerwolf en trok op.

Nu maakte de boerin al ras een strooien pop met de broek en de kiel aan van haar man, en legde de pop naast haar in het bed. De volgende nacht klopte de weerwolf opnieuw aan de deur. “Duw maar op het klepke met uw poot en de deur zal wel open gaan!” riep de boerin door het venster van het opkamerke.

Loeker kwam binnen, zag de boer liggen, greep hem beet en vluchtte er mee weg, terwijl de echte boer onder het bed verscholen lag. Maar nu had de boerin nog haar kind niet terug. Zij beschuldigde de boer de schuld te zijn van haar ongeluk.

De boer beloofde de weerwolf te zullen verschalken. “Dat kunt ge niet”, zei de vrouw, “want hij heeft mijn kind opgeëten.” – “Niet opgeëten, maar ingeslokken,” zei de boer en hij verzon een list om het kind te redden.

Hij sloop tot bij het hol van de slapende weerwolf in de Goorbergen en legde een groot stuk spek voor de ingang neer. Loeker schoot door het gerucht wakker, klampte de boer aan en sleurde hem mee onder de aarde, bij de kabouters, die hem het vel levend afstroopten om er een tentzeil van te maken. Ondertussen had de weerwolf honger gekregen en slokte het spek van de boer op. Doch dat bevatte braakkruid en alles wat de wolf inhad, kwam eruit. Ook het boerenkind, dat luid schreide.

De moeder, ongerust over het lange uitblijven van haar man, kroop naar het hol toe, hoorde haar kind en toen ze het op de zandberg zag zitten, liep ze er heen en nam het mee naar huis. De weerwolf riep haar achterna: “Ieder ‘ t zijn; gij uw klein en ik de Stijn !”

De vrouw liep toen naar de tovenaar om de Stijn terug in zijn vel te steken. “Ik zal het doen”, zei de tovenaar, “als ik uw kind krijg.” – “Neen dat krijgt ge niet”, zei de boerin. – “Geef me dan uw ziel ?” vroeg de tovenaar. – “Die is van mij niet, maar van God”, antwoordde de vrouw, “wat ik niet heb, kan ik niet geven.” – “Geef me dan uw hart?” vroeg de tovenaar. – “Ja”, zei de boerin. En plots sprong het hart uit haar lijf, als een pad die onder het gras wegwipte. De vrouw was dood en het kind schreide bitter.

Toen kreeg de boer zijn vel terug. Hij sprong uit de pekelkuip, liep naar huis en vond er zijn schreiend kind en zijn dode vrouw. De weerwolf zat onder het bed, pakte Stijn en zijn kind op, stak de hoeve in brand en sleurde zijn buit naar het hol.

De vrouw ging in de vlammen op en de bijgesnelde geburen zagen haar met brandende haren in de vuurgloed staan en hoorden haar huilen: “Eeuwig zal mijn hart branden, in deze verbrande stede!” In het Meetboek van 1658 heette die plaats nog: “Het brandend hart of de verdoemde stede”.

(Deze keer ben ik voor mijn bloedstollende verhaal niet pikkedief gaan spelen in mijn gestencild bundeltje van Mr. Verhaert, maar in een overdruk uit Taxandria XXXIII, van 1956, Vorselaarse sproken, sagen en overleveringen, door Z.E.H. Joris Matheussen.)

Advertenties