Lovenhoek
Lovenhoek

Het Kempenland is steeds, sedert onheuglijke tijden, een land geweest dat krioelde van lucht-, water-, aard- en vuurgeesten. Er is wel geen Kempens dorp aan te wijzen waar niet de een of andere afgelegen eenzame streek hun thuis was en de sagen worden gelokaliseerd. In deze buurt vindt men dikwijls nog voorhistorische urnenvelden en paalgrafheuvels. Zodat men geneigd wordt een zeer oude traditie aan deze spookgeschiedenis toe te kennen.

Vroeger zat onze Vorselaarse heide vol saters en dwaallichten, die zwervende zielen waren. Meer dan één stroper ontmoette er de brandende scheper en een zwarte hond die vuur spuwde. In het Diepdal, bij het urnenveld van Ouwen gelegen, was ooit een kerk verzonken en lag er een gouden kalf begraven. Oude heispaaiers vertelden dat in vroeger jaren de St.Jorisgilde (gesticht door Jan van Rotselaar in 1430), rond 23 april drie teerdagen had. De derde dag gingen de gildebroeders en -zusters “den draak steken” in de Molenheide. Het was een oud gebruik van een draak te maken, uit wissen gevlochten, opgevuld met hooi en strooi en bekleed met wolvenvellen. Die joeg en sloeg men dan tot op de Drijwinkelberg waar hij in brand gestoken werk, terwijl de gilde eromheen de zwaard- en vuurdans deed.

De overlevering verhaalde dat eenmaal in de Molenheide een draak woonde met zijn jongen, onder een hoop schaarhout. De gehuchtbewoners zweetten water en bloed van schrik en liepen naar de pastoor om hulp. Die kwam ter plaatse met zijn kruis. De draak schoot woedend uit zijn hol, de priester tegemoet. Maar intussen staken de boeren het schaarhout in brand. Moeder draak hoorde haar jongen huilen, liep terug, sprong in het vuur, en verbrandde met haar kroost, terwijl de pastoor drie kruisen maakte over de heide.

De drakensage verhaalde echter nog dat er op de plaats waar eenmaal een echte helse draak verbrand was, nooit één pijltje buntgras heeft willen groeien.

Het kruis was sedert de kerstening van ons volk het voornaamste afweermiddel tegen de kwade hand, het kwade oog en andere kwelgeesten. Daarom stond er een kruis op de kerk en kalkte men een kruis op de hoevegevel boven het keldervensterke opdat de boze geesten niet langs onder zouden binnensluipen. De boer zegende zijn paard als hij het inspande, de boerin het brood als zij het aansneed. Waar een lijk in huis lag, stond er een kruis tegen de slagvensters en wanneer men er mee kerkewaarts reed, stopte de witte huifkar aan al de kruisbanen en legde men er kruisgewijs twee strobusseltjes neer, en er was geen kristen zonder grafkruis.

Ook vermeldt het kerkarchief van Vorselaar  : “dat drye mael de cruysprocessie uytgaet langs de drye oude velden tot aende vroente, om door de crachte van den heylighen Cruyse onzes Heeren alle bose geesten daaruyt te jaegen voer eenen scoenen oest“. Zo schreef pastoor Joachim Mijs in zijn manuaal van 1587.

In 1827 werd er door boer Verhaert op het Visplukse veld een kruisweg gebouwd, “de veertien kapellekens” genaamd, op een eenzame plaats, waar het veel spookte. Er slierden daar ganse benden witte vrouwen door de lucht. Wie er met de donkerte durfde voorbij komen werd aangeklampt en in het oor geblazen datum en uur van zijn dood.

Wat waren dat voor plaagwijven ? Wel, dodengeesten die veroordeeld waren om rond te zwerven in de wildernissen tot aan het einde van de wereld, of heksen die naar het Sabbatfeest vlogen op de Baekenitsheide.

Bert, de oude ruige scheper van de Nieuwhoef op het Heiken, vertelde een verhaal dat met deze sabbats verband houdt. Terwijl Bert zat te breien tegen de eikenkant en zijn schapen op de heide graasden, zat de sukkelaar met een houten been, ganse dagen en seizoen te piekeren over de geheimen van aarde en hemel. Hij verzamelde in de kap van zijn wollen regenmantel geneeskrachtige heidekruiden tegen duivelse ziekten, die door geen enkel dokter te genezen waren. En hij vertelde eens wat hij wist uit de mond van zijn grootvader, die ook scheper was. Het was “echt gebeurd” in “heel oude tijden”. De herders waren onze beste vertellers. Bert behoorde nog tot de eerste helft van de 19e eeuw en kon zeggen wat hij over de sabbatheksen had gehoord.

Bij sommige stormnachten vierden de Vorselaarse heksen sabbatfeest op de Woeransheide (tegenwoordig het Heiken). Satan in persoon was daar in de gedaante van een grove zwarte vent met horens en bokkepoten. Hij koos zelf zijn koningin uit de heksenbende. God werd gelasterd, er werd gevloekt met miljarden. Dan rezen er plots volle tafels met fijne spijzen en dranken uit de grond en een hoop duivels speelden het bal met trommels en fluiten. Als de zon boven de bossen rees, was alles gedaan. Satan schoot met zijn trawanten en zijn tafels de grond in en de heksen reden op een bezemsteel door de lucht naar huis. Maar dan konden ze veel kwaad doen, want zij hadden duivelenmacht, zelfs konden zij hagelslag en onweer verwekken.

Deze dingen voeren ons terug naar de 16e tot half de 17e eeuw en de genechtboeken bevatten heksenprocessen die getuigen dat onze mensen dit echt geloofden. Daarom staken de boeren relikwieën, “heiligdom” en andere krachtige afweermiddelen onder hun dorpels en hingen ze in hun huizen de St.-Antonius- en andere huiszegens op die onder meer ook tegen toverij beschutten. Daarom lieten ze zichzelf, of hun stal, overlezen door de paters.