In Vorselaar bestaat ook het gehucht Strateneind. ’t Ligt zowat een half uur van het dorp. Mensen die bij avond naar ’t gehucht moeten verkiezen een andere weg te nemen dan de grote baan die er naartoe leidt, omdat ze voorbij de “14 kapellekens” moeten, en dat is zo’n nare plaats.

Dan denken ze telkens terug aan die legende, welke grootmoeder verhaalde toen ze nog klein waren.

Luister: men was in de wintertijd, en gelijk alle jaren werd er hout gehakt. Zander K. had het hout gekocht rond de 14 Kapellekens. Er stond daar ook een hollen tronk die mede verkocht was. Zander had zijn bijl gescherpt op die namiddag en, aan de struik gekomen, zette hij zich schrap. Daar ging de bijl de hoogte in en kwam bijtend in het hout terecht, zodat de spaanders naar alle kanten heenvlogen. Maar wat was dat?

Wat blonk er voor Zanders ogen? Och God toch, murmelde hij. De spaanders vlogen alle als vurige kruiskens door de lucht, klaar blinkende kruiskens. Hoe meer Zander kapte, hoe meer kruiskens er vlogen. De grond rondom lag er spoedig als met kruisjes bezaaid. De man geraakte er niet wijs uit. Maar toen hij de tronk kliefde begreep hij alles met een slag. Tussen de mollige bruine humusaarde die zich in de holle boomstam had opgehoopt, blonk een kleine witte hostie. Daarom was dat mirakel met die kruiskens daar gebeurd. Ze was daar door de één of andere heiligschenner weggestop geworden. De pastoor der parochie werd erbij geroepen. Die haalde de hostie naar de kerk, waar ze nog lang bewaard werd.