In Vorselaar in de Molenheide, naar Pulle toe, ligt de Traweitelberg. ’t Is een heuvel van zowat 6 à 7 meter hoogte, die daar plots oprijst uit de vlakte. Geen wonder ook dat de verbeelding der heidebewoners aan die plaats een spookgeschiedenis heeft verbonden.

Maar laat ons de duisternis afwachten en zien wat er daar zoal gebeurde. Ziet ge daar in de halve schemering die nog heerst dat beest met ruige pels, gloeiende ogen en likkende muil?

’t Is de weerwolf die hier rondloopt. Hij doet enige malen de ronde van de heuvel en verdwijnt dan in de bossen. Pas nu op en zie beter toe … Bemerkt ge die drie lichtende schaduwen, die daar komen aanglijden ? Zie hoe ze heen en weer zweven. ’t Zijn vrouwengestalten. Ziedaar, nu hebben ze elkaar bij de hand en doen een rondedans. ’t Zijn heksen die op de berg komen spoken. Ze komen hier elke nacht. Maar vóór hun komst doen ze de weerwolf het terrein verkennen. En wee de onvoorzichtige die de berg te na komt en onder zijn tanden valt. Hij wordt onmeedogend verscheurd. De heksen verder doen niemand kwaad. ’t Zijn geesten, zeggen de heidebewoners, die gedoemd zijn om elke nacht op die plaats hun heksendans te komen dansen. Maar geen mens gaat bij avond of bij nacht over het pad dat langs de berg voert. Men schuwt die plaats.

Aan ’t oude klooster “ten Troon”, ligt een thans in een hoeve herschapen klooster van Augustijner monniken. De kapel is tot schuur herbouwd en de kloosterpanden dienen tot magazijn. Aan deze puinen heeft het volksgeloof ook een legende gehecht, en de late leurder durft aan de poort der hoeve niet aankloppen, uit vrees te moeten overnachten in het oude klooster, want daar spookt het.

Men vertelt: met Kerstmis komen de afgestorven paters terug en begeven zich in stoet met kaarsen en flambeeuwen en onder het zingen van gewijde liederen naar de kapel. Terwijl klinkt het klokske van het klooster door het nachtelijk zwijgen en zijn eentonig getamp doet de hoevebewoners rondom in hun bedden rillen van angst.
(Uit de Geschiedenis van Vorselaar)