De slangen.

In ’t Zoerselbos huisde een overgrote slang. Ze had er haar nest met jongen in een houtmijt, en de mensen waren uitermate bang van dat addergebroed. Op zekere dag kwam er een jong heethoofd in de streek. Hij pochte erop dat hij naar ’t nest durfde gaan, en hij deed het ook. Hij zette zich te paard. De slang echter kronkelde ernaartoe met een verbazende snelheid. En de jongen schoot op de vlucht met achter hem de slang. De anderen staken nu rap de houtmijt in brand. De jonge slangen piepten om hulp. Toen de grote slang dit hoorde, stortte ze zich in de vuurpoel. Ze verbrandde met haar jongen tot pulver, en men was van haar verlost.

Besloten tijd.

Deze geschiedenis viel voor, alweer op een ander gehucht, op het Zegbroek. Men was toen in de beloken tijd, en de pastoor der parochie was, omdat hij niet wilde getrouwheid zweren aan de Fransen, moeten vluchten.

In de hoeve van Struifs was een geheim kamertje, waarin zich de priester overdag verborgen hield. ’t Gebeurde meer dan eens dat de Fransen op het pachthof kwamen huiszoeking doen. Maar men was van hun komst telkens verwittigd. Men schoof een grote kleerkast voor de ingang van het kamertje, en zo vonden de schelmen hem niet. Men toonde nog lang het verborgen kamertje. Maar nu is het huis door brand vernield.

De witte paters.

Op ’t Vroegeinde te Vorselaar loopt een beekje, kronkelend door de landerijen. Daarover liggen, als brug, enige houten balken, met zoden bedekt. Als ge het bruggeske over zijt, komt ge in een mastbos, waardoor het pad al kronkelslaande loopt … J.L. kwam bij valavond van het dorp; toen hij aan ’t bruggeske gekomen was ,kwamen over hem in ’t bos twee witte paters. Ze kwamen op hem af en gingen rond hem, doch verdwenen terug in ’t bos, zonder hem kwaad te doen of zonder een woord te spreken. Ook andere mensen zagen de paters in ’t wit, telkens op hen afkomend, rondgaand en verdwijnend lijk ze gekomen waren, stilzwijgend. En al deden ze niemand kwaad, toch waren de mensen altijd blij als ze door ’t beruchte bos waren.