dwaallichtDe heiligschenners.

Rond Pasen ging een inwoner van Berkelhei (onder Vorselaar) te biechten. Doch hij verzweeg een zonde. Bij het naar huis gaan kwam hij midden in de eenzame hei de “Brandende Scheper” tegen die hem met zijn gloeiende wijsvinger bedreigde. De man keerde haastig op zijn stappen terug en ging zijn zonde belijden. En bij het terugkeren zag hij geen brandende Scheper meer.

Het veulen.

Te Boskoven, aan de kapel midden in de bossen, gebeuren ook rare dingen. Toen de strodekker van het dorp daar eens ’s avonds voorbijkwam zag hij almeteens een zwart veulen rondlopen in ’t bos. Later toen hij in de omtrek ging “dekken” zag hij ’s avonds het veulen weer. Hij nam zijn dekkersmes en liep op ’t veulen toe. Het dier vluchtte, en wat moeite de dekker ook deed en hoe hard hij ook liep, het dier kon hij niet inhalen.

Een niet-gedoopt kindje.

’t Volgende gebeurde op het gehucht Pallaaraard.

Een jong meisje was tegen de avond bezig met rapen te wassen in een kuil. Opeens kwam daar een stallicht aangevlogen, recht op haar af. Ze verschrok danig en kon geen voet meer verzetten. ’t Stallicht zette zich op haar rug zonder dat zij een beweging kon maken ter voorkoming. En elke maal dat ze in het vervolg rapen ging wassen geschiedde hetzelfde.

Ze vertelde haar geval aan de pastoor, die haar de raad gaf een potje wijwater mee te nemen en zich daarmee te besprenkelen als ’t licht weer kwam. De mensen die het gebeurde vernamen, vertelden dat het de ziel was van een klein kindje, dat niet was gedoopt. Het meisje besprenkelde zich met wijwater, toen ’t licht weer verscheen. Opeens verdween het en ’t meisje was er voorgoed vanaf.

Een heks.

Pol ging buurten in de Grobbendonkse hei. Toen ze daar zo zaten te praten rond het open vuur, werd er almeteens op de deur geklopt. Als ze opengedaan hadden, zagen ze daar voor hen op enige afstand twee mannen te paard: onbeweeglijk in het zadel. Ze sliepen. Dat duurde zo tot het op een verre onzichtbare toren twaalf uur sloeg, toen werden ze wakker. Maar terwijl ze nog sliepen was een vreemde vrouw binnengekomen en had zich op een houten blokske aan het vuur neergezet. Nu kwamen de ruiters ook binnen en zetten zich insgelijks aan het vuur. Opeens krabde de vrouw op de grond, en meteen vloog ze door de schouw weg, al krijsend en schreeuwend, en de twee mannen vlogen haar onmiddellijk na.