VorselaarLocatie

De eerste datum van belang in de geschreven geschiedenis van Vorselaar is 1272, wanneer de Brabantse hertog Vorselaar in leen geeft aan Arnolf van Rotselaar, eerste heer van Vorselaar. Met deze datum begint de gekende geschreven geschiedenis van Vorselaar onder het bewind van de hertog, die vertegenwoordigd wordt door de heer. De drossaerd is de vertegenwoordiger van de hertog in het bestuur van de gemeente, maar hij wordt aangesteld door de heer. We zijn dus volop in het leenroerig stelsel.

Hoe was het volk verdeeld? Welke bevolkingsklassen waren er in Vorselaar?

1. De heer, leenman van de hertog van Brabant. De heer had de heerlijkheid Vorselaar in erfleen gekregen, hij had er het vruchtgebruik van. In ruil daarvoor moest de heer zijn plicht als leenman tegenover de hertog doen.

2. De cijnslieden.

Het verschil tussen de cijnslieden en de leenmannen spruit voort uit het verschil van recht op eigendom, dat zij op hun goederen, de cijnsgoederen, hadden. Dit had bij de cijnslieden een heel andere grond dan bij de leenhouders en bracht hen derhalve ook verschillende rechten en verplichtingen aan. De leenbezitters dankten hun goederen uitsluitend aan de goedgunstigheid van de heren, en moesten daarvoor niets betalen, maar de heer kon hen ook bij de minste misstap tegen hem van hun leen beroven, daarbij stonden zij ook terecht voor hun leen, en moesten zij al hun zaken en betwistingen door diens mannen laten vonnissen. De cijnslieden daarentegen bezaten hun goederen ten titel van een wezenlijk, plechtig en wederzijds verdrag, waardoor hun cijnsheer hun eeuwig of tijdelijk het vruchtgebruik van zijn goederen, door hem in cijns gegeven, afstond, en waardoor zij zich verplichtten de cijnsheer jaarlijks, op gestelde tijd, een zekere som, hetzij in geld, hetzij in natura, als cijns te betalen. Buiten deze cijns hadden zij niet de minste verplichting jegens hun cijnsheer, en deze had, zolang zij hem betaalden, niet het minste recht hen, in welk opzicht ook, in het bezit van hun goederen te hinderen of deze terug te eisen. Er was slechts de voorwaarde dat zij de panden die zij in leen hielden niet zouden laten verslechten, maar ze integendeel zouden verbeteren. Zij waren ook niet tot huldetrouw of manschap verplicht en hingen verder uitsluitend af van ’s lands algemene wetten en instellingen.

Het is opvallend hoe weinig boeren er eigenlijk cijnsplichtig zijn voor gans de hoeve (en dus cijnsmannen waren). In 1535 waren er nog een twaalftal en later vermindert dat nog. De meeste boeren waren eigenaars van hun huis en van een deel land, zij leenden van een heer één of meer stukken land, vooral woeste grond en grasland. De grootste boer betaalde als leengeld, als cijns dus, in 1535 een paard. De heer gaf toelating mits cijns te betalen in natura of in geld sommige stukken uit zijn bezit te ontginnen. De heer was eigenaar van alle banen en gaf door de straatbrieven recht om bomen langs die banen te planten. De banen behoorden aan niemand persoonlijk, vandaar dat zij toekwamen aan de hertog, die dat alles aan de heer schonk in leen, vandaar het recht van de heer op die banen.

3. Een derde soort mensen bestond uit de eigenaars van vrijgoederen. Dezen vormden de derde maatschappelijke klasse, of in de gemeente de tweede. De meeste boeren in Vorselaar waren eigenaar van vrijgoederen, hoewel ze sommige stukken leenden van de heer. Zuivere vrijboeren, degenen die niet leenden van de heer zullen waarschijnlijk niet te talrijk zijn geweest. Over het algemeen bestonden die vrijgoederen uit losse stukken land, heide of weide, die zich wel talrijk in de handen van een en dezelfde eigenaar konden bevinden, maar nooit voor het gerecht als een goed aanzien werden, dat recht gaf op gezag, dat volgens de middeleeuwse begrippen aan het grondbezit was gehecht.

4. Een vierde soort mensen dat we in die tijd in onze gemeenten aantreffen, zijn de neringdoeners, de ambachten, de werklieden in de steden en keurgemeenten, gewoonlijk door hun eigen rechters beheerd en in de landelijke heerlijkheden aan de rechtsmacht van de heren en de schepen (s’heren stadhouders) onderworpen.