Berichten

De Verhuis

melodie: My Sarie Marijs

Tist Aberraan, ’n man uit mijn buurt
Moest buiten en werd weggestuurd.
Hij zocht dan naar een huis, ging aan alle kanten zien.
Dat duurde al een dag of tien.
Totdat hij vond zijn moeite beloond,
Er werd hem een huis getoond.

Refr. En Tist vond het huisje zo oprecht naar zijn zin.
Geschikt voor zijn huisgezin.

Maar de huisbaas zei dat de voorwaarde was:
Geen kinderen, want dat is al ambras.
O best sprak Baptist, want ik heb er geen een.
Ik kom met mijn Trien alleen.
Dat was een leugen, want hij had er acht,
En ’t negende werd nog verwacht.

En enkele dagen later trok de verhuis,
Op weg naar den nieuwen tehuis.
En de kinderen hielpen mee en die sprongen op een draf
De verhuiswagen op en af.
Breng dit alhier, Breng dat aldaar.
En seffens stond alles klaar.

En de huisbaas die lachte, die lachte, ’t was een lust.
Hij was van ’t bedrog niet bewust.
Hij dacht: die is goed, ’t gaat vooruit als dat ge ’t ziet
En ’t gebeurt alles gratis voor niet.
Hij dacht niet eens dat die hele karavaan
Mee binnen in ’t huis zou gaan.

Maar toen heel die boel van de kar was afgelaân
Zag hij z’allen mee binnen gaan.
Er kwam niemand terug en hij zag dan ook alras
Hoe ferm hij thans beetgenomen was.
Hij vloog naar Tist als bevend als een blad:
Ik dacht dat ge geen kindren had?

Mijnheer, sprak dan Tist, hoe ’t gebeurde weet ik niet,
Ik durf er op zweren, ziet,
Maar als men verhuist, geachte Heer De Roeck,
Komt alles weer uit den hoek.
Zo trok Baptist naar zijn nieuwen woon
En leeft er gelukkig en schoon.


oude_boekenkast_small
Recente artikels:

Alle artikels:

Bron: anoniem.

Brabançonner, Brabançonst !

belgische vlag

Juicht! Belgen, juicht!
tekst: V.Ceulemans – muziek: Van Campenhout

Juicht! Belgen, juicht! in vreugdevolle akkoorden,
Van Haspengouw tot aan het Vlaamsche strand,
Van Noord tot Zuid, langs Maas- en Scheldeboorden,
Juicht, Belgen, juicht door gansch het Vaderland!
Een manlijk volk moet manlijk durven zingen
Terwijl zijn hart van eedle fierheid beeft;
Nooit zal men ons een morzel gronds ontwringen,
Zoo lang een Belg, ’t zij Waal of Vlaming leeft!
Nooit zal men ons een morzel gronds ontwringen,
Zoo lang een Belg, ’t zij Waal of Vlaming leeft!(x 3)

Geen morzel gronds, geen enkel van de rechten
Waarvoor het bloed der vadren heeft gevloeid,
Zoolang een man, een vrouw of kind kan vechten,
Een enkel hart, een Belgisch harte gloeit.
Geen slavenjuk wordt ons ooit aangevijzeld
Geen schandig juk der minste dwinglandij,
Of ’t wordt op ’t hoofd der dwingelands verbrijzeld,
Ons Belgenland blijft eeuwig, eeuwig vrij.
Of ’t wordt op ’t hoofd der dwingelands verbrijzeld,
Ons Belgenland blijft eeuwig, eeuwig vrij.(x 3)

Zingt hooger nog, en laat Europa ’t hooren,
Hier heeft de Vorst de Grondwet in de hand,
Voor heel het volk den duren eed gezworen
Dat hij slechts leeft voor ’t dierbaar Vaderland.
Naast d’Eersten Belg staan zes miljoenen Belgen
Vol eendrachtszin ten heldendood gereed,
Die m’een voor een en allen moet verdelgen
Eer iemand ooit ons land het zijne heet.
Die m’een voor een en allen moet verdelgen
Eer iemand ooit ons land het zijne heet.(x3)

Bron: Liederboekje van den Boerenbond, jaar van uitgave onbekend.

Kempische Kerstvertelling

herders_Kerstmis

Toen de herderkes in ’t Kempenland
van kooplie uit den Oost
vernamen hoe klein Jezuke
door Herders werd getroost
in ’t koud bouwvallig stalleke –
toen sprak een grijze scheper daar:
“Wie volgt mij tot bij ’t kribbeke?”
– “Wij willen al te gaar” !

En de herders namen staf en hoed
en deen hun mantel aan;
ze zijn dan zonder ommezien
te saam op reis gegaan.
Ze dreven – ’t was hun offergift –
tien blanke schaapjes vóór hen uit
en Pauwel blies tot tijdverdrijf
een kerstlied op zijn fluit.

Maar het reizen o! zoo lange duurt
en bar is ’t winterweer,
en ’s avonds, waar geen lichtje pinkt,
doet hongerpijn zoo zeer.
Het sneeuwt en, bij dien Noordenwind,
de schaapjes mindren iedren dag,
en ’t laatste, na een guren nacht,
ook doodgevroren lag.

Toen zij eindlijk waren, afgemat,
geraakt tot Betlehem,
sprak stil de grijze Corydon
met weemoed in zijn stem:
“o Jozef, ’t gure winterweer
heeft al ons schaapjes wreed geslacht;
toch hebben wij voor ’t kribbeke
de wolle meegebracht.”

O, zoo minzaam lacht het godlijk kind
van op zijn warmen wol!
Maria dankt de herderkes
met tranen vreugdevol:
“U wacht een honderdvoudig loon,
U die zo simpel zijt, zoo rein,
want vrede zij de menschen al
die goed van wille zijn.

JOZEF SIMONS

Om voor te dragen, Uitgave van den Belgischen Boerenbond. Jaar onbekend.


oude_boekenkast_small
Recente artikels:

Alle artikels:

De zeven ezels

ezel

Jan Snul een pachter van ter Neele
Kwam met zes ezels uit de stad
Vijf joeg hij voor zich henen
Terwijl hij op den zesden zat

Als hij een poos met stille schreden
Gelijk een president gereden had
Roept hij: wat is dat?
Ik heb er maar vijf

Hij telt en hertelt
Hij keert zich tienmaal om
En keert zijn hoofd langs alle kanten
Ja!Ja! Ik ben hem kwijt
En zie hem nooit weerom
Ik wil mijn hoofd niet langer kwellen
Zoo nadert hij zijn huis met zijn gezellen

Zijn vrouw stond aan de deur
Hij roept haar toe van wijd
Sophie, ik ben een ezel kwijt
Ik had er zes gekocht en ‘k tel er nu maar vijf

Vijf? zegt Sophie
Gij snul, ik tel er wel zeven
Eén, twee, drie, vier, vijf en gij dan met uwen ezel,
Zijn er dat geen zeven?

Bron: manuscript / anoniem


oude_boekenkast_small
Recente artikels:

Alle artikels:

Kluchtliedjes

Hendrick_ter_Brugghen_-_Singing_Boy

1.
Hangt hem op, hangt hem op, hangt hem op de gloriekroon
Met een koord, met een koord, met een koord van zilv’ren glans
Vangt een luis, vangt een luis, vangt een luist’rijk feest nu aan
Op zijn huid, op zijn huid, op zijn huid’ge feestbestaan
Heer geef stro, Heer geef stro, Heer geef stromen van geluk
Voor zijn koe, voor zijn koe, voor zijn koene vrome deugd
Voor zijn kat, voor zijn kat, voor zijn katholieke jeugd
Hij is dik, hij is dik, hij is dikwijls veel te goed
En gemeen, en gemeen, en gemeenzaam vroom en goed
’t vagevuur, ’t vagevuur, ’t vagevuur weze nooit zijn lot
Maar de hel, maar de hel, maar de held’re woonst van God

2.
Wat een kraan, wat een kraan, kranig zijn zij allebei
Wat een dier, wat een dier, wat een dierbaar feestgetij
Zij zijn vol, zij zijn vol, zij zijn vol bezielden moed
Hoe gemeen, hoe gemeen, hoe gemeenzaam vroom en goed
Op hun ziel, op hun ziel, op hun ziel storte de Heer,
Zijnen kost, Zijnen kost, Zijnen kost’ren zegen neer
Wat een koe, wat een koe, wat een koene mannenkracht
Geef hun hel, geef hun hel, geef hun helpe, Heer, en macht
Vang een luis, vang een luis, vang een luistervol bestaan
Op hun huid, op hun huid, op hun huid’ge feesttij aan
Hangt hen op, hangt hen op, hangt hen op de gloriekroon
Zet hen op, zet hen op, zet hen op den eretroon
Hunne kat, hunne kat, hunnen katholieke deugd
Schenkt ons in, schenkt ons in, schenkt ons innerlijke vreugd
En hun hond, en hun hond, en hun honderdvoudig loon
Maak hun dood, maak hun dood, maak hun dood en sterven schoon
Geef een kroon, geef een kroon, met een zilveren jubelkruk,
N. en N. namen der gevierden
Wenschen wij nog veel geluk

Bron: manuscript / anoniem


oude_boekenkast_small
Recente artikels:

Alle artikels: