Aeneas en Anchises (Bernini)
Aeneas en Anchises (Bernini)
Profetische redevoering van Anchises (VI, 752 – 759 / 788 – 807 / 847 – 853)

Zo sprak Anchises, en hij bracht zijn zoon samen met de Sibylla tot in het midden van de menigte en de roezemoezende massa. Hij ging op een heuveltje staan van waaruit hij allen in een lange rij tegenover hem opgesteld, kon schouwen en de gezichten herkennen van de voorbijtrekkenden. Kom nu, ik zal je met woorden verklaren welke roem het Dardaanse geslacht in de toekomst te wachten staat, welke afstammelingen uit het Italische volk zullen komen, roemrijke zielen die onze naam zullen overnemen. Ik zal je ook je eigen lot leren kennen.

(…)

Richt nu je beide ogen daarheen, bekijk dat volk, jouw Romeinen, dat is Caesar en gans het geslacht van Julus, dat onder de hoge hemelas zal opstaan. Deze man, hij is het die je zo vaak hebt horen beloven: Augustus Caesar, van goddelijke afstamming, die opnieuw gouden eeuwen zal brengen over Latium, over de landouwen eens geregeerd door Saturnus, voorbij de Garamanten en de Indiërs zal hij het rijk uitbreiden (dat land ligt voorbij de dierenriem, voorbij de wegen van jaar en zon, daar waar de hemeldrager Atlas op zijn schouders de hemelas torst, met sterren bepereld). In afwachting van zijn komst huiveren reeds nu door goddelijke orakels gewaarschuwd de Caspische rijken en het land van Maeotia en de zeventakkige mondingen van de Nijl zijn in verwarring. Nee, zelfs Hercules bereisde niet zoveel land, al ving hij de koperpotige hinde of bracht hij rust in het Erymantische woud en deed hij Lerna sidderen met zijn boog; nee, ook niet Liber, die triomfantelijk zijn span ment met wingerdteugels, zijn tijgers vanop de hoge Nysatop voortdrijvend. En wij zouden aarzelen met daden zijn grootheid te bevestigen, of weerhoudt vrees ons ervan voet te zetten op Ausonische grond ?

(…)

Anderen zullen ’t metaal doen ademen, het smeden en kneden. Ik geloof dat voorwaar; levende gelaatstrekken halen uit marmer, vlotter een rechtszaak bepleiten, met de schrijfstift de banen aan de hemel beschrijven en de opkomst der sterren berekenen. Jij, Romein, houd voor ogen dat jij volkeren regeert in macht, dat zullen jouw kunsten zijn, dat je wetten stelt tot vrede, de overwonnenen spaart, maar de trotsen uitroeit.