Aeneas in de onderwereld - Rubens
Aeneas in de onderwereld - Rubens

De nederdaling in de onderwereld (VI, 264 – 332)

Aanhef

Goden, aan wie de macht over de zielen behoort, zwijgende schimmen, Chaos en Phlegetoon, ruime verblijven van nachtelijk stil zijn, het weze me toegestaan het gehoorde voort te zeggen; het weze je wil welgevallig aan ’t licht te brengen wat diep onder de aarde in duisternis is gedompeld.

Het voorgeborchte der onderwereld

Eenzaam gingen ze door de schaduw van een donkere nacht, door de lege huizen en ijle bezittingen van Dis, juist als bij ’t karige licht van een fletse maan een tocht door het woud is, wanneer Jupiter de hemel met schaduw bedekt en de zwarte nacht de kleur ontneemt aan de dingen. Vlak voor de ingang gans vooraan, in een nauwe gang naar de Orcus hadden Rouw en Wroeging hun bed opgeslagen; daar waren bleekmakende Ziekten en knorrige Ouderdom en Vrees en Honger, bron van kwaad, en verfoeide Armoede, vormen uiterst lelijk voor ’t oog, en Dood en Nood. Verder Slaap, verwant aan de Dood, en Leedvermaak en tegenover de drempel, moordende Oorlog en de stalen kamers der Furiën en dolzinnige Tweedracht, haar adderenhaar doorstrengeld met bebloede banden. In het midden spreidt een overoude olm, dicht ineengegroeid en enorm groot, zijn takken en twijgen uit. Men zegt algemeen dat de bedrieglijke dromen er hun woonplaats hebben gekozen en vastkleven onder alle bladeren. Daarbij staan nog een hele verscheidenheid van monsterlijke ondieren, de Centauren staan in de ingang gestald en de tweeslachtige Scylla en de honderdarmige Briareus en de draak van Lerna, afgrijselijk sissend, en de vuurspuwende Chimaera, de Gorgonen, de Harpijen en de Schim in drie gedaanten. Toen greep, onsteld door een plotse vrees, Aeneas zijn zwaard en bood het getrokken scherp aan de komenden. En had zijn wijze gezellin die inhoudloze levens zonder lichaam niet aangemaand weg te vliegen in een holle schim van een gedaante, dan was hij erop losgestormd en had hij zonder succes met het zwaard die schaduwen uiteengeranseld.

Op weg naar de Acheron

Van daar liep een weg die naar de wateren van de ondergrondse Acheron voerde. Deze maalstroom, troebel door het slijk en de ruime kolken, bruist luid en braakt al zijn zand uit in de Cocytus. De veerman Charon, afschuwelijk en vreselijk vuil, bewaakt deze wateren en rivieren. Een dichte, onverzorgde baard hangt rond zijn kin; zijn ogen schieten vlammen, een haveloze mantel hangt met een knoop gebonden van zijn schouders af. Zelf stuurt hij zijn boot met de veerboom en bedient hij de zeilen en met zijn roestig schuitje zet hij de lichamen over, al is hij vrij oud, maar het is de nog krasse en frisse ouderdom zoals bij een god past. Hier, naar de oever, stroomt als uitgestort een grote schare samen. Moeders en mannen en lichamen van dappere helden, uit het leven verscheiden, knapen en ongehuwde meisjes en jongemannen, voor ’t oog van hun ouders in ’t graf gelegd: zo talrijk vallen in glijvlucht bij de eerste herfstkoude de bladeren in de bossen of zo talrijk troepen op het vasteland vanuit de wijde zee de vogels samen, wanneer het koude jaargetijde hen over de zee jaagt en naar zonnige landen zendt. Ze stonden daar, smekend om eerst over de rivier te mogen, en ze strekten de handen uit vol verlangen naar de overkant, maar de norse veerman liet nu weer dezen, dan weer genen instappen, terwijl hij anderen ver verwijderd hield, weg van ’t oeverzand. Verwonderd en aangegrepen door het tumult vroeg Aeneas: “Zeg mij, mevrouw, wat betekent deze toeloop naar de rivier ? Wat willen deze zielen ? Of op grond van welke discriminatie verlaten sommigen de oever, terwijl anderen met de riemen de loodkleurige wateren beroeren ?” Hem antwoordde toen de hoogbejaarde priesteres als volgt: “Telg van Anchises, twijfelloos zoon van de goden, je ziet daar het diepe water van de Cocytus en de poel van de Styx, bij wiens godheid zelfs de goden geen valse eed durven zweren. Al dat volk wat je ziet is behoeftig en onbegraven. Die veerman heet Charon, zij die over ’t water mogen zijn begravenen, want het wordt niet toegestaan deze vreeswekkende oevers en dofbruisende golven over te steken voordat het gebeente de rust van ’t graf heeft gevonden. Honderd jaar lang dolen ze rond en fladderen ze hier bij deze kust, dan mogen ze het zozeer begeerde water terugzien.” De zoon van Anchises bleef staan en hield zijn schreden in, diep peinzend en zijn geest vol medelijden om dit onbillijke lot.

Advertenties