Dood van Laocoön (II, 199 – 227).

Laocoön
Laocoön

Toen gebeurde er iets veel ergers voor ons, ongelukkigen, en veel meer te vrezen, en het bracht onze nietsvermoedende geesten in de war. Laocoön, door het lot aangeduid als priester voor Neptunus, was bij het altaar een enorme stier plechtig aan het offeren. Maar kijk, vanuit Tenedos, over een kalme zee (ik huiver nog, nu ik dit vertel) stortten zich met reuzenkronkels twee slangen in de zee en paarsgewijze trokken ze naar onze kust. Hun opgerichte koppen staken tussen de golven uit en hun bloedrode kammen kwamen boven het wateroppervlak. Hun staart streek achter hen aan over de zee en ze wrongen hun ruggen in zeer grote bochten. Geruis klonk uit de schuimende zee. Reeds bereikten ze het land, hun fonkelende ogen doortrokken van bloed en vuur, en ze likten met lillende tongen hun sissende bek. Bij dat zicht stoven wij lijkbleek uiteen, maar zij trokken als in gelid op Laocoön af; en eerst grepen beide slangen in een omsnoering de arme lichaampjes van beide kinderen en verslonden in één beet de ledematen van die ongelukkigen. Daarna grepen ze hemzelf die ter hulp snelde met het wapen in de hand. Ze bonden hem vast in reuzewindingen. Reeds hadden ze zich tweemaal om zijn middel gelegd, tweemaal hun geschubde ruggen om zijn hals gewonden, en met kop en nek staken ze boven hem uit. Hij trachtte tegelijk met zijn handen de knopen los te rukken, zijn hoofbanden werden bezwadderd door kwijl en zwart venijn. Tegelijk slaakte hij huiveringwekkende kreten ten hemel, zoals een stier bulkt wanneer hij gewond het altaar ontvlucht en de afgeschampte bijl uit zijn schoft tracht te schudden. Maar de twee draken vluchtten glijdend naar de hooggelegen heiligdommen en zochten de tempel van de gevreesde Pallas. Ze verborgen zich onder de voeten en het ronde schild van de godin.

Advertenties