Het bedrog van Sinoon (vervolg) (II, 105- 198)

Sinoon (Vergilius Romanus, 5e eeuw)
Sinoon (Vergilius Romanus, 5e eeuw)

Maar toen brandden wij van begeerte om het verhaal te kennen en te horen, onbekend als we waren met een zo misdadige valsheid bij de Grieken.

Hij vervolgde sidderend en sprak met geveinsde gevoelens. “Dikwijls hebben de Grieken getracht uit het verlaten Troje de vlucht te beramen en een eind te stellen aan de lange oorlog die ze zo moe waren, hadden ze dat maar gedaan! Maar even dikwijls verhinderde een zware storm op zee hen en schrikte de zuidenwind hen af als ze op het punt stonden te vertrekken.

Vooral toen reeds dit uit ahornbalken gebouwde paard hier stond, gromde de donder aan het hele uitspansel. In paniek zonden wij Eurypylus om het orakel van Phoebos te raadplegen. En deze bracht uit het heiligdom volgende onheilspellende woorden mee: “Met het bloed van een geofferde maagd hebben jullie, Grieken, de winden bedaard toen jullie eertijds naar de kusten van Troje kwamen. Met bloed moet ook je terugkeer worden gekocht met het offer van een levende Griek.”

Toen dit bericht het volk ter ore kwam, verbijsterde dat ieders gemoed, een ijskoude rilling voer door merg en been. Voor wie wordt dat lot bereid ? Wie eist Apollo op ? Toen sleurde onder luid misbaar Odysseus de ziener Kalchas in ons midden en met aandrang vroeg hij welke de zin was van dit goddelijk woord. En reeds voorspelden velen een wrede misdaad van die valsaard tegen mij en ze zagen zwijgend de toekomst tegemoet.

Tien dagen lang zweeg hij en teruggetrokken weigerde hij met zijn stem wie ook aan te duiden of ter dood te bestemmen. Toen eindelijk, aangespoord door het groot kabaal van Odysseus, verbrak hij volgens afspraak het zwijgen en duidde mij aan voor het altaar. Allen stemden daarmee in, en ze duldden dat wat ieder voor zichzelf had gevreesd, nu tot ramp van één enkele ongelukkige was geworden.

Reeds was de onheilsdag aangebroken. Ik werd opgetuigd met de heilige dingen, met het gezouten meel, en met hoofdbanden rond mijn slapen. Ik rukte mij los, dat beken ik, van de dood en verbrak mijn boeien en tijdens die nacht hield ik mij onzichtbaar schuil in het riet van een slijkerige poel tot ze zouden wegvaren. Als ze tenminste dat zouden kunnen doen.

Nu rest mij geen hoop meer mijn aloud vaderland ooit nog terug te zien, of mijn brave kinderen, of mijn vader naar wie ik zo verlang. Ze zullen misschien hèn straffen om mijn ontsnapping, en mijn schuld door de dood van die ongelukkigen uitwissen. Daarom, bij de goden die bewust zijn van de waarheid, bij de trouw, waar ze ook is, ongeschonden gebleven bij mensen, ik bid je, heb meelij met zoveel ellende, heb meelij met een ziel bovenmate beproefd.

Om deze tranen schonken we hem het leven en spontaan kregen we medelijden met hem. Zelf gaf Priamus als eerste het bevel die man te ontdoen van de handboeien en de knellende banden en hij sprak hem toe in vriendelijke woorden: “Wie je ook bent, vergeet voortaan de Grieken die je hebben uitgestoten, wees één met ons en vertel me volledig de waarheid die ik je vraag. Waartoe hebben ze dit reusachtig gevaarte van een paard gebouwd? Wie is de maker ? Wat voor een godsdienstig symbool is het, of wat voor een oorlogstuig ?” Zo klonken zijn woorden.

Sinoon, doorkneed met listen en Griekse valsheid, verhief zijn handpalmen, van boeien bevrijd, tot de hemel: “U eeuwige lichten en uw onschendbare godheid roep ik op tot getuige”, sprak hij, “u, altaren en het verfoeide zwaard dat ik ben ontvlucht, banden der goden die ik als offerdier droeg. Sta me toe de heilige rechten der Grieken te verbreken, sta me toe die mensen te haten en alles openbaar te maken wat ze ergens verborgen houden. Ik word niet meer weerhouden door een vaderland of door enige wet. U, blijf trouw aan uw belofte, en als Troje gered is, hou dan uw tegenwoord, als ik de waarheid zou vertellen, als ik u rijkelijk zou belonen.

Alle hoop van de Grieken en het vertrouwen van de oorlogsonderneming hadden steeds gesteund op de hulp van Pallas. Maar sinds de gewetenloze Diomedes en de uitvinder van deze misdaad, Odysseus, het op zich namen uit de heilige tempel het noodlottig Pallasbeeld te roven, en na de bewakers van de hoogste burcht te hebben gedood, het gewijde beeld wegrukten en het hebben aangedurfd met handen vol bloed de blanke hoofdbanden van de godin aan te raken, van toen af vloeide de ondermijnde hoop der Grieken terug en verkwijnde ze, de krachten werden gebroken en de gunst van de godin keerde zich af.

Tritonia gaf in ondubbelzinnige tekens haar ongenoegen te kennen, nauwelijks was het beeld in ons kamp geplaatst of flikkerende vlammen brandden in haar starre ogen, zilt zweet liep over haar ledematen en (wonder om het te verhalen) driemaal sprong ze zelf van de bodem op met schild en trillende lans. Terstond verklaarde Kalchas dat men moest trachten over de zee te vluchten, dat Pergamon onmogelijk door Griekse wapens kon worden overwonnen, zo ze niet eerst in Argos de tekens gingen raadplegen en de gunst der godin terughalen die ze in hun holle schepen over de zee hadden meegebracht. En nu, het feit dat ze onder de wind naar hun vaderland Mykene stevenen, ze maken daar nieuwe wapens klaar en stemmen de goden weer tot vriend, en na een terugreis over de zee zullen ze onverhoeds hier zijn.

Zo verklaarde Kalchas de tekens. Gewaarschuwd door die tekens bouwden wij voor het miskennen van het Pallasbeeld, voor de krenking van de godheid, dit beeld om ons onheilspellend vergrijp uit te boeten. Kalchas liet het nochtans reuzegroot maken, met planken van eik, en het tot aan de hemel reiken, opdat het niet door de poort zou kunnen en midden in de stad geplaatst opdat het Trojaanse volk de aloude goddelijke bescherming ervan zou genieten. Want indien jullie hand dit geschenk aan Minerva had geschonden, dan zou een groot onheil over het rijk van Priamus en de Phrygiërs zijn neergekomen (moge deze uitspraak op zijn eigen hoofd neerkomen). Maar indien het door jullie handen in jullie stad zou zijn binnengebracht, zou Azië op zijn beurt in een grote oorlog tot aan de muren van de Peloponnesische burchten komen, en zou het lot, hierboven vermeld, onze kleinkinderen te beurt vallen.

Door zulke valsheid en listen van de doortrapte Sinoon geloofden wij zijn verhaal en we werden verleid door zijn streken en zijn geveinsde tranen, wij, die noch door Diomedes, noch door Achilles van Larissa, noch door tien jaar oorlog, noch door duizend schepen konden worden overwonnen.