Tweede boek.

Aeneas’ verhaal – inleiding (II, 1-13)

Allen vielen stil en spitsten gespannen de oren,
toen begon vanaf zijn hoge ligplaats vader Aeneas als volgt te spreken:

Barocci, Aeneas'vlucht uit Troje, 1598, Rome, Galleria Borghese
Barocci, Aeneas vlucht uit Troje, 1598, Rome Galleria Borghese

“Koningin, je vraagt me de onuitspreekbare smart weer te hernieuwen, door te vertellen
hoe de Grieken de Trojaanse macht en het beklagenswaardig rijk
hebben vernietigd, rampen die ik met eigen ogen zag
en waaraan ik ruimschoots deel had. Wie van de Myrmidonen
of Dolopiërs of welke soldaat van de wrede Odysseus
zou bij dit verhaal zijn tranen kunnen bedwingen?
En reeds spoedt de vochtige nacht uit de hemel weg
en manen de verblekende sterren ons tot de slaap.
Maar als je begeerte om onze lotgevallen te kennen zo groot is
en om in ’t kort de doodsstrijd van Troje te vernemen
zal ik, hoewel mijn gemoed bij de herinnering huivert en van rouw terugdeinst,
ermee beginnen.

De list der Grieken.

Het houten paard (II, 13-39).

Gebroken door de oorlog en door het lot verstoten
lieten de Griekse leiders, nadat zoveel jaren reeds waren voorbijgegleden,
op goddelijke inspiratie van Pallas een paard bouwen, als een berg zo hoog
en ze bedekten de ribben met planken van dennehout;
ze gaven het uit voor een geschenk om hun behouden terugkeer
en dit gerucht deed de ronde.
Maar dievelings sloten ze er binnen de blinde wand
uitgelezen mannen in op, door loting bepaald,
en ze vulden de enorme ruimten van de buik helemaal met gewapende soldaten.
In het zicht van Troje ligt Tenedos, een zeer befaamd eiland,
rijk en machtig, zolang Priamos’ heerschappij duurde,
nu nog slechts een inham en een ligplaats, onveilig voor de schepen.
Daarheen vertrokken, verborgen ze er zich op het verlaten strand.
Wij dachten dat ze weg waren, en onder de wind naar Mycene stevenden.
Dus voelde gans Teucrië zich opgelucht uit de lange beklemming:
open vlogen de poorten; met vreugde ging men kijken naar het Dorische kamp
en de verlaten kampplaatsen, en het lege strand.
Hier lag de afdeling Dolopen, hier kampeerde de verbeten Achilles,
hier was de plaats van de vloot, hier vocht men gewoonlijk in slagorde.
Een deel stond verbaasd bij het rampzalige geschenk voor de maagdelijke Minerva
en bewonderde de afmetingen van het paard. Thymoetes eerst
spoorde ons aan het binnen de muren te halen en op de burcht te plaatsen.
Was het uit valsheid, of was het omdat het lot het zo voor Troje had beschikt,
maar Capys, en allen die er een gezondere mening op na hielden
zetten ons aan om deze valstrik der Grieken en dit verdachte geschenk in de zee te storten,
of het te doen opbranden, na er vuur te hebben onder gestookt,
ofwel de buikholten te doorkerven en de schuilhoeken te onderzoeken.
Onzeker viel het volk uiteen in tegenstrijdige zienswijzen.

Waarschuwing van Laocoön (II, 40-56).

Toen kwam, aan de kop van een grote menigte die hem begeleidde,
Laocoön heftig naar beneden lopen van de hoge burcht, en van ver al riep hij:
“Ongelukkige burgers, zijn jullie gek ? Geloven jullie dat de vijand is weggetrokken of menen jullie
dat er enig geschenk is van de Grieken waarin geen valsheid schuilt. Is dat je kennis van Odysseus ?
Ofwel zitten, ingesloten in dit hout, Grieken verborgen,
ofwel is dit tuig vervaardigd tegen onze muren
om onze huizen te bespioneren en van boven uit door te dringen in de stad,
ofwel schuilt er een andere valstrik in: betrouw dat paard niet, Trojanen.
Wat het ook is, ik vrees de Grieken, zelfs als ze geschenken aanbrengen.”
Zo sprak hij, en met ontzettende kracht slingerde hij zijn kolossale speer
in de flank en in de gebogen buikspanten van het ondier.
Steken bleef ze trillend, teruggeslagen door de buik,
de holten weergalmden en de schuiloorden loosden een zucht.
En, waren de beschikkingen der goden, was ons eigen verstand niet tegen ons geweest,
dan had hij er ons toe aangezet met het zwaard die Griekse schuilplaatsen te doorkerven,
dan zou Troje nu nog hebben rechtgestaan, en jij, verheven burcht van Priamos, zou zijn gebleven.

Het bedrog van Sinoon (II, 57-104).

Kijk, intussen sleurden Dardaanse herders een jongeman, de handen op de rug gebonden, met veel misbaar tot bij de koning, onbekend had hij zich spontaan overgegeven aan de eersten de besten, met de bedoeling dit te bewerken, namelijk Troje open te breken voor de Grieken, vol vertrouwen in zijn hart, maar voor een dubbele afloop gereed, hetzij te slagen in zijn list, hetzij een zekere dood tegemoet te gaan.

Van alle kanten stroomde de Trojaanse jeugd rond hem samen, begerig om hem te zien, en ze bespotten om ter hardst de gevangene. Luister nu hoe vals de Grieken waren en leer uit de misdaad van één ze allen kennen. Want zodra hij midden in de kring stond, onthutst en weerloos, en met zijn ogen de Phrygische scharen afzocht, zei hij: “Aai mij, welk land, welke zee kan mij nu nog opnemen ? Wat blijft mij, ongelukkige, uiteindelijk nog over, voor wie nergens bij de Grieken nog plaats is, en voor wie bovendien de Trojanen zelf in hun vijandschap de doodstraf eisen?”

Door deze klacht keerde onze stemming zich om en werd alle agressiviteit onderdrukt. We nodigden hem uit te vertellen wie hij was, welk nieuws hij bracht, maar hij moest zich wel herinneren welk geloof men aan een gevangene schenkt. Zijn vrees tenslotte van zich afzettend, sprak hij het volgende: “Koning, ik zal je alles vertellen naar waarheid, wat er ook gebeurd is, en ik loochen niet dat ik van Griekse afkomst ben. Dit wil ik eerst zeggen: als heeft Fortuna Sinoon in het ongeluk gestort, toch zal ze, hoe slecht ze ook is, hem niet tot een leugenaar en bedrieger maken.

Misschien is je wel bij gesprekken de naam ter ore gekomen van een zekere Palamedes, afstammeling van Belos, en zijn wijdvermaarde roem; hem hebben de Grieken na een valse aanklacht van verraad en door een verfoeilijke verklikking onschuldig ter dood gebracht, omdat hij zich tegen de oorlog keerde, nu betreuren ze zijn dood: met hem stuurde mijn arme vader mij als gezel en naaste bloedverwant vanaf de eerste jaren naar hier onder de wapens. Zolang hij ongehinderd zijn koningschap voerde en van tel was in de raad der vorsten, genoten ook wij enige naam en aanzien. Nadat hij door de afgunst van de valse Odysseus (ik vertel helemaal geen onbekende dingen) deze wereld had verlaten, sleepte ik mijn leven verder in duisternis en rouw, en ergerde ik mij om de val van mijn onschuldige vriend.

Dwaas als ik was, ik zweeg niet, en ik beloofde hem te wreken, indien het lot dit, hoe ook, had toegestaan, indien ik als overwinnaar naar mijn vaderland Argos ware teruggekeerd, en met mijn woorden wekte ik bittere haat. Hieruit sproot voor mij alle kwaad voort, van toen af begon Odysseus me te terroriseren met steeds nieuwe misdadige praktijken, van toen af strooide hij lasterlijke geruchten onder het volk en zocht hij doelbewust naar wapens om mij te treffen. Hij rustte immers niet, voor hij met de hulp van Kalchas …

Maar waarom ben ik tevergeefs al deze dingen aan ’t vertellen, die jullie niet aangenaam zijn? Waarom tijd verspild ? Als voor jullie alle Grieken op dezelfde lijn staan, heb je er genoeg aan dit te hebben gehoord, vooruit dan, straf me maar: Odysseus zou dat wel graag hebben, en ook de Atriden zouden er zeer blij om zijn.”

Advertenties