Boek 1

Aeneas draagt Anchises (520-510 v.Chr.) Louvre
Aeneas draagt Anchises (520-510 v.Chr.) Louvre

Aanhef (I, 1-11)

Heldendaden bezing ik van een man die als eerste vanaf de Trojaanse kust,
gestuwd door de wil der goden naar Italië kwam, naar de kust bij Lavinium;
lange tijd werd hij te land en ter zee heen en weer geslingerd
door de kracht der goden, om de onverzoenlijke wrok van de wrede Juno;
veel had hij ook te lijden in de oorlog, toch kon hij uiteindelijk zijn stad stichten
en zijn goden binnenvoeren in Latium, bakermat van het Latijnse volk,
onze voorvaderen van Alba, en de muren van het hoogverheven Rome.
Muze, breng mij die geschiedenis in herinnering, om welke krenking van haar goddelijkheid,
om welke grief de koningin der goden een man, om zijn plichtsbesef befaamd,
ertoe gedwongen heeft zoveel avonturen te beleven, zoveel lijden te trotseren.
Is er in de harten der hemelingen dan zo’n grote wrok?

Juno’s haat (I, 12-33)

Vroeger heeft een stad bestaan (Tyrische kolonisten bewoonden haar)
Carthago, gelegen tegenover Italië, welbepaald tegenover de Tibermonding
rijk en machtig, en zeer geducht door oorlogszucht.
Men zegt dat Juno deze stad alleen, meer dan alle landen koesterde
zelfs boven Samos; hier stond haar wapen
hier was haar wagen; reeds toen spande de godin zich in
en streefde ze ernaar om deze stad tot middelpunt van de wereld te maken als, hoe ook, de goden dit zouden toelaten.
Maar ze had gehoord dat van Trojaansen bloede een geslacht zou voortkomen dat eens de Tyrische burchten moest verwoesten:
daaruit zou dan een volk komen met een ruime heerschappij en trots op zijn oorlogen,
het was bestemd om Africa te verwoesten: zo sponnen het de Parken.
Dit vreesde Saturnia, en ze vergat niet de langdurige oorlog
die ze in de voorste gelederen tegen Troje had gestreden voor haar dierbare Grieken,
nog steeds niet waren uit haar hart verdwenen (de andere oorzaken van haar wrok) en de pijnlijke grieven:
diep in haar binnenste bleven geprent de uitspraak van Paris die haar lichaamsschoonheid misprees
en het gehate geslacht en de eerbewijzen aan de geschaakte Ganymedes gegeven.
Door al deze oorzaken bovendien in woede ontstoken, hield zij de Trojanen
die aan de Grieken en aan de harde Achilles waren ontkomen en over alle zeeën weggeslingerd,
ver weg van Latium. En vele jaren lang moesten ze door het lot gedreven zwerven alle zeeën rond.
Zo moeilijk was de stichting van het Romeinse volk.

De Trojanen door de storm naar Lybië gedreven.
Verzoek van Juno aan Aeolus (I, 34-80)

Nauwelijks buiten het zicht van de Siciliaanse kust
spanden ze welgezind de zeilen naar de ruime zee toe, en de koperen boeg sneed door de schuimende golven,
toen Juno, diep in haar hart de onuitwisbare wonde bewarend,
bij zichzelf zei: “Ik overwonnen moeten afzien van mijn plan,
ik die koning van Troje niet kunnen afhouden van Italië?
Ach ja, de goden verhinderen het mij. Kon Pallas niet de Griekse vloot uitbranden
en henzelf doen verdrinken in de zee,
alleen maar om een waanzinnige fout van Ajax, zoon van Oileus ?
Zij kon de verzengende bliksem van Jupiter uit de wolken slingeren,
ze gooide de schepen uiteen en ze zette de zee overhoop met haar winden,
en hem, vlammen brakend uit zijn doorboorde borst,
nam ze op in een wervelwind en ze spietste hem vast op een scherpe rots;
maar ik, die vooropstap als koningin van de goden,
zuster èn echtgenote van Jupiter, ik voer samen met een geheel volk als zoveel jaren
oorlog. En wie zal voortaan de godheid van Juno nog aanbidden, of smekend geschenken leggen op haar altaren ?”

Aeolus, de god der winden
Aeolus, de god der winden

Dit alles in haar ontvlamde hart overwegend, ging de godin naar het land der winden, een plaats vol tierende stormen,
Aeolië. Hier onderdrukt in een ruime krocht koning Aeolus
met macht de worstelende winden en de loeiende orkanen,
en met boeien en kerker houdt hij ze in toom.
Kwaadaardig beukten onder geweldig kabaal de winden tegen de bergwand; Aeolus zit op een hoge rots,
de scepter in de hand, hij sust de gemoederen en bedaart de hartstochten.
Deed hij dat niet, dan zouden ze voorwaar in hun hevigheid
landen en zeeën en de hoge lucht meesleuren met zich en voortjagen door het luchtruim.
Maar de almachtige vader sloot hen op in donkere spelonken uit vrees daarvoor,
plaatste daarboven een reusachtige bergmassa
en gaf hun een koning, die volgens een welomschreven overeenkomst
op bevel de teugels zou weten te spannen en te vieren.
Tot hem sprak toen smekend Juno in volgende voege:
“Aeolus, u toch gaf de vader der goden en de koning der mensen
de macht om de golven te stillen en met de wind ze op te zwepen,
een mij vijandig volk bevaart de Tyrrheense zee,
Troje naar Italië brengend en overwonnen Penaten:
sla krachtig toe met je winden, dompel de schepen onder en doe ze vergaan
of stuur er stormen van overal op af en verspreid de lichamen over de zee.
Veertien beeldschone nimfen heb ik, en de allermooiste van hen,
Deïopea zal ik je geven in blijvende echt, en ik zal haar bestemmen tot je eigendom
zodat ze voor je zò ruime verdiensten, àl haar levensjaren met je deelt
en je tot vader maakt van een prachtig nageslacht.”
Aeolus antwoordde hierop: “Koningin, uw bezigheid is het
uit te voeren wat gij wenst; mij wordt toegestaan bevelen te ontvangen.
U geeft me geheel mijn koningsmacht, u geeft mij de scepter en de gunst van Jupiter,
u laat me aanliggen aan de festijnen der goden,
u maakt mij machtig over winden en stormen.”

De storm (I, 81-123)

Aeneas in de storm
Aeneas in de storm

Na die woorden prikte hij de punt van zijn lans in de flank van de berg
en alsof ze reeds in ’t gelid stonden
stormden de winden naar buiten en ze wierpen zich wervelend op het land.
Ze stortten zich op de zee en keerden die ondersteboven,
de Eurus, samen met de Notus en de stormrijke Africus,
en ze rolden reuzegolven naar de kust.
Dadelijk volgde gehuil van mannen en geknars van touwen.
Plots onttrokken wolken de hemel en het daglicht
aan de ogen van de Trojanen; een donkere nacht spreidde zich uit over de zee.
De donder rommelde en dikwijls flitsten bliksemschichten door de lucht
en alles bedreigde de mensen met een nabije dood.
Dadelijk versteven de ledematen van Aeneas door een huivering,
hij zuchtte, en beide handpalmen ten hemel verheffend bracht hij het volgende uit:
“O driemaal ja viermaal gelukkigen
die voor de ogen van hun vaderen onder de hoge muren van Troje mochten
sneuvelen! O Diomedes, dapperste van het Griekse volk !
Mocht ik dan niet sneuvelen op de vlakte van Troje
en door jouw hand mijn laatste adem uitblazen
daar waar geveld door Achilles’ hand de woeste Hector ligt of waar de reus
Sarpedon ligt, en waar meegesleurd onder haar golven de Simoïs
zovele schilden en helmen en lijken van dappere helden voortrolt!”
Terwijl hij dat zei beukte een striemende noorderstorm
vlak op het zeil en hij joeg de golven op tot aan de sterren.
De riemen braken stuk; toen keerde de boeg zich om en gaf de flank prijs aan de golven;
terstond volgde een torenhoge steile waterberg.
Een deel hing boven op een golfkam, aan anderen toonde een gapende kloof
de bodem tussen de golven; de branding raasde door het bodemzand.
De Notus sleurde drie schepen mee en smakte ze op verborgen klippen,
(de Italiërs noemen die klippen midden in de golven “Altaren”,
een enorme bergkam aan het zeeoppervlak), de Eurus
wrong er drie vanuit de volle zee in ondiepten en wadden – deerniswekkend schouwspel –
hij boorde ze vast op de zandbank en joeg er een wal van aarde rond.
Een schip dat de Lyciërs en de trouwe Orontes vervoerde,
kreeg vlak voor de ogen van Aeneas een reusachtige stortzee op de
achtersteven; de stuurman werd overboord geslagen en stortte hals over kop naar beneden; het schip
zelf werd door een golf driemaal ter plaatse om zijn as
getold, toen verslond een razendsnelle kolk ze in zee.
Hier en daar verschenen drenkelingen over het uitgestrekte zeeoppervlak,
ook wrakhout en Trojaanse kostbaarheden, verspreid over het water.
Reeds overwon de storm het stevig schip van Ilioneus, reeds dat van de sterke Achates,
en dat waarop Abas vaarde, en dat van de stokoude Aletes.
Door de opengebarsten voegen van de zijden
kregen alle schepen het vijandige water binnen en de scheuren zetten zich nog uit.

Neptunus stilt de storm (I, 124-156)

Intussen werd Neptunus gewaar dat de zee met luid gedruis overhoop was gehaald,
dat er een storm was losgebroken en dat
het water tot onder op de bodem wegstroomde, dat ontstemde hem zeer; en over de zee
uitkijkend stak hij zijn vadsig hoofd boven de golven.
Hij zag over heel de zee uiteengeslagen de vloot van Aeneas
en de Trojanen overrompeld door de golven en de wolkbreuk.
De listen en de wraakzucht van Juno waren haar broer niet onbekend.
Hij riep de Eurus en de Zephyrus bij zich en sprak aldus:
“Heeft die zo grote brutaliteit van je ras weer bezit van je genomen?
Waag je het zomaar zonder mijn toestemming de hemel en de aarde op zijn kop te zetten, winden,
en dergelijke watermassa’s op te zwepen?
Ik zal je … ! Maar eerst past het de wilde golven te bedaren:
later zullen jullie je vergrijpen uitboeten met een niet malse straf.
Scheer je weg! en zeg dit aan die koning van jullie:
niet aan hem werd door het lot de macht over de zee en de gevreesde drietand
gegeven, maar aan mij. Dat hij zijn barre klippen in bedwang houdt,
jullie woning, Eurus: laat Aeolus de grote man zijn in dat paleis,
en heersen over de winden, maar met de grendel op de kerker.”
Zo sprak hij, en vlugger dan zijn woord bedaarde hij de gezwollen golven,
dreef hij de opeengepakte wolken weg en bracht de zon weer terug.
Cymothoë, samen met Tritoon, zetten zich schrap om
de schepen van de scherpe rotsen te wrikken; zelf lichtte hij ze op met zijn drietand,
maakte geulen in de wijde wadden en suste de zee,
en gleed dan met zijn lichte wagen over de toppen der golfjes.
En zoals wanneer er in een mensenmassa geregeld relletjes ontstaan, en het straatjesvolk in zijn binnenste razend wordt,
en reeds toortsen en keien rondvliegen, want de woede vindt overal wapens,
als ze dan toevallig een man ontwaren, indrukwekkend tot plichtsbesef en verdiensten,
worden ze stil en blijven ze met gespitste oren staan,
hij beheerst met zijn woord de gemoederen en stilt de hartstochten:
zo viel alle kabaal op zee stil, nadat vader Neptunus over de zee had uitgekeken,
de weer open hemel was ingetrokken,
zijn paarden mende, en voortijlend in zijn soepele wagen de teugels vierde.

Advertenties