In de volgende tekst worden de hoofdstukken aangegeven. De vertaling beslaat evenwel slechts fragmenten uit die hoofdstukken.


1.

Het is nodig dat alle mensen die ernaar streven de andere levende wezens te overtreffen, hun totale inzet aanwenden, om te voorkomen dat ze hun leven onopgemerkt zouden slijten zoals vee, dat door de natuur werd gevormd met de kop naar de grond en afhankelijk van zijn instincten. Maar heel ons kunnen is besloten in onze geest en ons lichaam: de geest is voor ons belangrijker dan de dienstbaarheid van ons lichaam. Het ene hebben we gemeen met de goden, het andere met de dieren. Daarom lijkt het mij logischer roem na te streven met behulp van de geest, dan wel met behulp van het lichaam, en, omdat het leven zelf, waarvan wij genieten, kort is, het aandenken aan ons zo lang mogelijk te rekken. Want de roem, bekomen door rijkdom of schoonheid, is onbestendig en broos, de geest verzekert eeuwige roem.

2.

Vele mensen nu, die zich hebben uitgeleverd aan eten en slapen, rennen als toeristen door het bestaan, ongeletterd en zonder cultuur; voor hen betekent het lichaam, beslist tegen de natuur in, een bron van plezier, de geest een bron van kwelling. Hun leven en dood acht ik even onbenullig, want over beide wordt gezwegen. Maar kijk, pas hij – zo meen ik – leeft en geniet van zijn bestaan, die zich inzet voor één of andere taak, en roem van een luisterrijke daad of een geslaagd kunstwerk zoekt. Maar in die rijke verscheidenheid van mogelijkheden wijst de natuurlijke aanleg voor éne déze weg, voor de ander een andere.

3.

Maar ik, toen ik nog jong was, werd aanvankelijk zoals de meeste anderen, door mijn eerzucht naar de politiek gedreven, en daar was veel tegen me. Want in de plaats van eerbied, in de plaats van soberheid en persoonlijke inzet woekerden brutaal optreden, verspilzucht en schraperigheid. Hoewel ik dat alles afwees, want ik was niet vertrouwd met slechte praktijken, toch zat ik in mijn argeloosheid vast tussen die verschrikkelijke intriges, omdat ik was aangetast door eerzucht; hoewel ik niet instemde met het wangedrag van anderen, toch werd ik even erg als de anderen, door het geroddel en de afgunst, het slachtoffer van mijn eerzucht.

4.

En zo, toen ik tot rust was gekomen na heel wat tegenslag en tegenkanting, en ik had besloten de rest van mijn leven me ver van de politiek te houden, toen lag het niet in mijn bedoeling mijn kostbare vrije tijd stompzinnig en vadsig te verprutsen, evenmin mijn leven te slijten in landbouw en jacht, wat goed is voor slaven. Toen ik teruggreep naar mijn aanvankelijk voornemen waarvan een misplaatste ambitie mij had afgehouden, was het mijn bedoeling de merkwaardige feiten van het Romeinse volk te beschrijven, uitvoerig en broksgewijs, naargelang ze de moeite waard leken vermeld te worden, des te meer omdat ik los stond van verwachtingen, van vrees of partijgeest.

Daarom zal ik zonder uitweidingen, maar zo waarheidsgetrouw mogelijk de samenzwering van Catilina beschrijven; want dat gebeuren acht ik biezonder merkwaardig wegens het ongewone karakter van die misdaad en het gevaar daaraan verbonden. Over de levenswijze van die man moet ik even uitweiden voor ik start met mijn relaas.

5.

Catilina stamde af uit een adellijk geslacht, hij bezat een uitzonderlijk sterke persoonlijkheid en een buitengewoon uithoudingsvermogen, maar hij was grondeloos verdorven van aard. Vanaf zijn jeugd waren burgeroorlog, moordpartijen, rooftochten en burgerlijke tweedracht voor hem een pretje, en daar trainde hij zijn jonge jaren.

Zijn lichaam was gehard tegen ontbering, hitte, wakker blijven, meer dan je kan geloven. Hij was brutaal, achterbaks, onevenwichtig, veinzer en ontveinzer van wat ook, hij was uit op het goed van een ander, kwistig met het zijne, heftig in zijn passies; welsprekend genoeg, maar wijs, te weinig.

In zijn onverzadigbaarheid greep hij altijd naar het mateloze, het ongelooflijke, het onbereikbare. Na de dictatuur van Sulla werd hij aangegrepen door de felle drang de staat in handen te nemen en hij hechtte geen belang aan met welke middelen hij dat zou realiseren, als hij voor zich de macht maar zou verwerven.

In zijn onverzadigbaarheid werd hij van dag tot dag steeds meer geënerveerd door zijn beperkte geldmiddelen en door het besef van zijn misdaden, zowel het ene als het andere had hij verergerd door de methodes die ik boven heb vermeld. De corrupte levenswijze van de stad hitste hem bovendien op, een levenswijze die werd ondermijnd door de ergste en onderling tegenstrijdige smetten: weelderigheid en schraapzucht.

14.

In die uitgestrekte en grondeloos corrupte staat had Catilina rondom zich zwermen van onverlaten en misdadigers als zijn volgelingen, iets wat gemakkelijk te verwezenlijken was. Want al wie in ontucht, overspel en gebras door gedobbel, geslemp en bandeloosheid zijn erfdeel had vergooid, wie zijn schulden torenhoog had opgestapeld om daarmee zijn schandelijke misdaden los te kopen, bovendien allerlei slag van moordenaars, heiligschenners, veroordeelden en mensen die voor hun daden het gerecht vreesden – van overal kwamen ze toegestroomd – bovendien zij die leefden van meineed en burgerbloed, kortom: allen die door hun boosheid, hun berooidheid of hun wroeging werden opgejaagd, dàt waren nu de goede vriendjes van Catilina.

Als nu iemand, zelfs zonder strafregister, in zijn vriendschap was verstrikt, werd hij door de dagelijkse omgang en de verleiding gemakkelijk volledig dezelfde als de anderen. Maar vooral was hij uit op de vriendschap van jongelui; hun ontvankelijk en wispelturig gemoed werd helemaal niet moeilijk beïnvloed door die misleiding. Naargelang eenieders voorkeur overeenkomstig zijn leeftijd oplaaide, bezorgde hij de enen pretjes, en kocht de anderen honden en paarden, kortom, hij spaarde zijn kosten niet en ontzag zijn eerbaarheid niet, als hij ze maar aan zich bond.

15.

Al vroeger had de jonge Catilina heel wat onzegbare schandigheden bedreven met een meisje van adellijke afkomst, met een Vestaalse maagd, en bovendien heel wat andere daden van dat soort tegen recht en wet in. Laatst raakte hij verliefd op Aurelia Orestilla, van wie een deftig mens nooit iets heeft geprezen buiten haar schoonheid; zij aarzelde met hem te trouwen uit vrees voor haar toekomstige volwassen stiefzoon; daarom, zo meent men, heeft hij zijn zoon uit de weg geruimd en zijn huis opengesteld voor een misdadig huwelijk. Dat feit in ’t bijzonder lijkt mij de oorzaak ervan te zijn geweest, dat hij zijn samenzwering verhaastte. Want zijn onrein gemoed, dat goden en mensen haatte, vond geen rust, noch ’s nachts noch overdag: op die manier maalde de wroeging zijn opgejaagde geest kapot. En zo was bloedloos zijn kleur, grauw zijn ogen, nu eens snel, dan weer traag zijn pas; kortom, uit zijn gezicht en zijn houding sprak de waanzin.