Cato (Jean-Baptiste Romand en François Rude / 1840)
Cato (Jean-Baptiste Romand en François Rude / 1840)

Redevoering van Cato.

De samenzwering gaat voort, maar men krijgt te Rome concrete bewijzen. Enkele samenzweerders te Rome worden aangehouden, er wordt een senaatsvergadering belegd om te beraadslagen over hun lot. Eerste voorstel: de samenzweerders moeten gedood worden. Een tweede voorstel is van Caesar: niet doden, maar de samenzweerders verspreiden over de municipia (autonome steden in het Rijk). Dan neemt Cato het woord…

52.
Toen Caesar zijn betoog beëindigde, lieten de anderen mondeling, maar op verschillende wijze hun instemming blijken. Maar toen men nu Cato om zijn zienswijze vroeg, hield hij de volgende redevoering.

Cato schetst de situatie van Rome.

Totaal anders is mijn oordeel, senatoren, wanneer ik de situatie en het gevaar dat daaraan verbonden is, beschouw, en wanneer ik de standpunten van sommige sprekers grondig afweeg. Ik ben de mening toegedaan dat de vorige sprekers het hadden over de straf tegen hen, die tegen recht en wet een oorlog hebben voorbereid; maar de situatie maant ons aan veeleer op onze hoede te zijn voor hen, dan te discussiëren over de straf die we tegen hen zullen vorderen. Want de overige misdaden kan je bestraffen achteraf; als je niet voorkomt dat dit misdrijf plaatsvindt, dan zul je na de feiten tevergeefs om gerechtigheid smeken: als één keer de stad bezet is, dan blijft er voor de overwonnenen niets over.

Aansporing voor de senatoren.

Maar bij de onsterfelijke goden, u roep ik op, u die altijd meer belang hebt gehecht aan uw huizen, uw villa’s, beelden, schilderijen, dan aan de republiek; als u dat alles wilt behouden – van welke aard het ook mag zijn waarvoor u zich interesseert – als u tijd wil vrij maken voor uw liefhebberijtjes, word dan eindelijk wakker en wijd u aan de staatsbelangen. Het gaat niet om belastingen of om onrecht aan onze bondgenoten aangedaan: onze vrijheid en ons leven staan op het spel.

Over zichzelf, zijn kwaliteiten.

Herhaaldelijk, senatoren, heb ik hier in de senaat u toegesproken, dikwijls heb ik de overdadige luxe en de geldzucht van onze burgers aangeklaagd en daardoor zijn veel mensen tegen me; omdat ik mezelf, zelfs niet in gedachten, nooit het genoegen van één of andere misstap heb gegund, kon ik helemaal niet gemakkelijk aan een ander zijn uitspattingen en misdrijven vergeven. Maar hoewel u aan mijn waarschuwingen weinig belang hechtte, toch stond de staat stevig; dat rijke leven liet zorgeloosheid toe. Het gaat er nu echter niet om, of wij goed of slecht leven, evenmin hoe uitgestrekt of hoe luisterrijk het Romeinse Rijk is; maar het gaat er wel om deze verworvenheden – van welke aard ze ook mogen zijn – van ons zullen blijven, of dat ze samen met ons in de handen van de vijand zullen vallen.

Medelijden is hier totaal misplaatst.

Spreekt me hier iemand over zachtzinnigheid en medelijden ? Beslist reeds lang hebben wij de echte zin der woorden verloren : omdat het uitstrooien van het bezit van een ander vrijgevigheid wordt genoemd, brutaliteit bij slechte daden moed wordt genoemd, daarom bevindt de staat zich op de rand van de ondergang. Laten ze maar gerust vrijgevig zijn met het bezit van onze bondgenoten, want de zeden zijn nu eenmaal zo, laten ze medelijden hebben met dieven van de schatkist : als ze ons bloed maar niet vergieten en, terwijl ze enkele misdadigers sparen, alle rechtschapen mensen ten gronde richten.

Weerleggen van Caesars plan.

Welbespraakt heeft Caesar een weinig geleden uitgeweid over leven en dood, naar ik meen beschouwt hij wat over de onderwereld wordt verteld als verzinseltjes, namelijk dat de bozen, gescheiden van de goeden langs verschillende wegen hun intrek hebben genomen in afschuwelijke, verwilderde, gruwelijke en schrikwekkende plaatsen. En zo stelde hij voor dat hun bezittingen verbeurd werden verklaard, henzelf verspreid over de municipia, in verzekerde bewaring te houden; blijkbaar vreest hij dat ze te Rome door aanhangers van de samenzwering of door een samengetroepte menigte gewelddadig zouden worden bevrijd. Alsof nu bozen en misdadigers alleen maar in de stad, en niet over heel Italië voorkomen, of niet daar de overmoed méér kan, waar de middelen ter verdediging geringer zijn.
Daarom is dit voorstel beslist dwaas, als hij vanwege hen gevaar vreest; als alleen Caesar temidden van die algemene paniekstemming niet bang is, dan is het van des te meer belang dat ik voor mijn eigen voordeel en dat van u bezorgd ben. Daarom, wanneer u beslist over het lot van Lentulus en anderen, houd dan voor ogen dat u tegelijk een oordeel velt over het leger van Catilina en over alle samenzweerders. In de mate dat u krachtdadiger optreedt, in dezelfde mate zal hun strijdlust verzwakken, als ze ook maar even merken dat uw weerbaarheid verzwakt, dan zullen allen op dat ogenblik strijdlustig hier zijn.

Moraliserende uitweiding. Oorzaken van Romes verzwakking.

Meen niet dat onze voorouders met de wapens de staat van klein tot groot hebben uitgebouwd. Als dat zo was, dan zouden wij een staat hebben, die veel meer schitterde; want wij kunnen een beroep doen op meer bondgenoten en burgers, wij kunnen beschikken over meer wapens en paarden dan zij. Maar er was iets anders dat hen groot heeft gemaakt en dat ons totaal ontbreekt: inzet in ons privé-leven, in het staatsleven een rechtvaardig beleid, onbevooroordeeldheid bij het overleggen, niet afhankelijk van misdaad of eigenbelang. In de plaats daarvan hebben wij weelderigheid en geldzucht, de staatskas is leeg, wij leven in weelde. Wij hebben onze mond vol van rijkdom, maar geven ons over aan lamlendigheid; tussen goed en kwaad bestaat geen enkel onderscheid; door ambitie, in plaats van door persoonlijke inzet, bereiken wij alles. Geen wonder, wanneer u ieder voor zich afzonderlijk een besluit neemt, wanneer u thuis u overlevert aan uw voorkeurtjes, hier gebonden bent aan geld en invloed, dan is dàt de reden waarom er een aanslag wordt gepleegd tegen de stuurloze staat.

Wat te doen met de samenzweerders ?

Maar dat laat ik buiten beschouwing. Achtenswaardige burgers hebben samengezworen om de staat ten gronde te richten; en een Gallische stam, die Rome uiterst vijandig gezind is, ruien ze op tot strijd; de leider van de vijanden bedreigt ons met zijn leger: en zelfs nu nog aarzelt u en vraagt u af wat u gaat doen met de samenzweerders, die binnen de muren zijn gevat. Heb voor mijn part gerust medelijden – jonge snaakjes hebben een fout begaan uit ambitie – en laat hen zelfs met wapens en al gerust naar huis gaan : als die zachtzinnigheid en dat medelijden van u maar niet omslaan in ellende, als ze eenmaal de wapens hebben opgenomen.

Natuurlijk is de situatie erg, maar u hebt daarvoor geen schrik : wel integendeel beweer ik, maar door uw passiviteit en uw weekheid van geest, wacht de een op de andere, en je blijft dralen, blijkbaar omdat je vertrouwt op de onsterfelijke goden, die deze staat meer dan eens in de grootste gevaren hebben beschermd. Maar niet met vrome wensen en smeekbeden als van vrouwen, bekom je de hulp van de goden. Als je op je hoede bent, je inzet en doordacht overlegt, dan gaat alles vooruit; wanneer je je overlevert aan stompzinnigheid en lafheid, roep je tevergeefs op de goden : woedend en vijandig gezind zijn ze dan.

Ten tijde van onze voorouders was er een zekere Manlius Torquatus. Tijdens de oorlog tegen de Galliërs liet hij zijn zoon ter dood brengen, want die had tegen het bevel in tegen de vijand gevochten. En zo werd die buitengewone jongeman met de dood gestraft omwille van zijn mateloze durf : en u aarzelt nog de straf te bepalen voor de wreedaardigste moordenaars ? Wellicht wordt deze misdaad vergoelijkt door de rest van hun leven. Hou gerust rekening met de waardigheid van Lentulus, als hijzelf ooit heeft gelet op zijn eerbaarheid, zijn faam, als hijzelf ooit respect heeft gehad voor de goden of mensen ; schenk vergeving aan de jeugdige Cethegus, als hij niet telkens opnieuw het vaderland heeft bevochten. En wat moet ik dan nog vertellen over Gabinius, Statilius en Caeparius ; als er ooit hun iets belangrijks was geweest, dan zouden ze dit plan tegen de staat niet hebben uitgekiend.

Kortom, senatoren, bij god, als de mogelijkheid bestond een misdaad te begaan, dan zou ik met plezier toestaan dat u door de situatie zelf werd terechtgewezen, omdat u mijn woorden veronachtzaamt. Aan alle kanten zijn we ingesloten, Catilina zet ons klem met zijn leger, andere samenzweerders bevinden zich binnen de stadsmuren, tot in het centrum van de stad ; het is uitgesloten in het geheim nog iets voor te bereiden of over iets te beraadslagen ; juist daarom moeten we ons haasten.

Daarom is dit mijn besluit : omdat door een misdadig opzet van boze burgers de staat in gevaar is gekomen, en zij op aanwijzen van Volturcius en de legaten der Allobrogen van schuld overtuigd zijn, en hebben bekend dat ze moord, brand en andere gemene wreedaardigheden tegen burgers en staat hebben voorbereid, daarom moet traditiegetrouw de doodstraf worden uitgesproken over de halszaken die ze bekend hebben en die, die overduidelijk zijn.