Catilina
Catilina

21. De samenzweerders eisen garanties.

Toen de samenzweerders die oproep hadden gehoord – mensen voor wie alle kwaad overvloedig aanwezig was, voor wie zowel heden als toekomst uitzichtloos waren – en hoewel de prachtige vooruitzichten hun rust leken te verstoren, eisten de meesten nochtans dat Catilina zou verduidelijken onder welke voorwaarden zij de oorlog zouden voeren, wat ze met hun wapengeweld zouden bereiken en welke materiële en morele steun ze zouden krijgen, en waar ze zou te vinden zijn. Toen beloofde Catilina een nieuwe wetgeving, de vogelvrijverklaring der rijken, magistraturen en priesterambten, mogelijkheid tot plunderen, en al de rest, wat oorlog en overwinningsroes met zich meebrengen.

Bovendien bevond Piso zich in Oost-Spanje, in Mauretanië stond Sittius Nucerinus met zijn leger klaar; beiden werkten mee aan zijn opzet; C.Antonius stelde zich kandidaat voor het consulaat en hij (Catilina) hoopte dat die (C.A.) zijn collega zou worden; hij was een goede kennis die door allerlei verplichtingen aan hem gebonden was. Samen met hem zou hij als consul met zijn actie beginnen.

Bovendien bespotte en verwenste hij alle eerbare burgers, elk van zijn aanhangers noemde hij bij hun naam en prees hen. De een wees hij op zijn berooidheid, de ander op zijn verlangen, vele aanwezigen herinnerde hij aan het (mogelijke) risico en de schande, nog anderen wees hij op de overwinning van Sulla, namelijk hen, voor wie dat had opgebracht. Toen Catilina hun enthousiasme bemerkte, spoorde hij hen ertoe aan zijn kandidatuur te steunen. Daarna ontbond hij de vergadering.

22.

In die tijd deed het volgende gruwelverhaal de ronde. Toen Catilina zijn redevoering beëindigd had, dwong hij zijn trawanten tot een eed; daartoe liet hij mensenbloed, vermengd met wijn rondgaan; daarna, toen allen na de zelfverwensing hadden geproefd, zoals het gewoonlijk gebeurt bij plechtige offers, maakte hij zijn plan bekend. Dààrom handelde hij zo, opdat ze aan mekaar sterker gebonden zouden zijn, nu de ene op de hoogte was van de vreselijke misdaad van de andere.

Heel wat mensen meenden dat dat verhaal, samen met nog andere, waren verzonnen door sympathisanten van Cicero; die meenden namelijk dat de haat tegen Cicero, die na de ontmaskering van de samenzweerders is ontstaan, zou worden afgezwakt door de wreedheid van de misdaad van hen, die hun straf hadden ondergaan, op te schroeven. Voor ons is die kwestie te weinig bewezen, gezien de ernst ervan.


22-31.

Fulvia brengt Cicero ervan op de hoogte dat tegen hem een aanslag zal worden gepleegd. Het nieuws raakt bekend. Bovendien kan één der senatoren een brief onderscheppen waarin staat dat Manlius de strijd zou beginnen vóór half november. Dat veroorzaakt in Rome een paniekstemming.


31. Stemming te Rome.

Door die ontdekking was de stad erg verontrust, en haar uitzicht veranderde grondig. Na een periode van opgewektheid en uitgelatenheid, die ten gevolge van de lange rust waren ontstaan, werden plots allen door neerslachtigheid overvallen: zij waren gejaagd, nerveus, voelden zich nergens en bij niemand voldoende veilig, zij voerden geen oorlog, maar kenden ook geen vrede, ieder mat het gevaar in verhouding tot zijn eigen vrees.

Daarbij de vrouwen, die wegens de uitgestrektheid van de staat door een ongewone oorlogsvrees waren aangegrepen: ze klopten zich op de borst, strekten hun handen smekend ten hemel, jammerden om hun kleine kinderen, deden navraag, hadden overal schrik voor, lieten hun hooghartigheid varen en zagen af van hun pretjes, wantrouwden zichzelf en het vaderland.

Advertenties