tacitus14. Leiders en volgelingen op het slagveld.

Gekomen op het slagveld, is het een schande voor de vorst in moed te worden overtroffen, en is het een schande voor zijn gevolg de moed van de koning niet te evenaren. Maar vooral is het schandelijk voor gans het leven, en smadelijk, levend terug te keren uit een gevecht waarin de vorst is gesneuveld; hem beschermen, hem verdedigen, zijn eigen moedige daden aan zijn faam toeschrijven, dat is voor hen de heiligste verplichting. De vorsten vechten voor de overwinning, zijn gevolg voor de vorst. Indien de stam waarin ze geboren zijn door een lange periode van vrede en ledigheid tot verslapping komt, gaan velen van de jonge edelen uit eigen beweging naar die stammen, die op dat ogenblik met een of andere oorlog bezig zijn; want het volk verfoeit de toestand van vrede, en het valt hen gemakkelijker zich in het gevaar roem te verschaffen, en slechts door oorlogsgeweld kan men een grote aanhang in stand houden. Ze eisen immers van de vrijgevigheid van de vorst dat oorlogspaard, deze wrede maar zegebrengende lans ; de tafel van de vorst met haar zij het simpele, toch overvloedige spijzen dient hen tot soldij ; wat hen daarbij nog toekomt, halen ze uit oorlog en plunderingen. Men zal ze moeilijk ertoe kunnen brengen de aarde te beploegen en de oogst af te wachten, in plaats van de vijand uit te dagen en verwondingen te riskeren. Ja, zelfs komt het hen voor als luiheid en zwakheid met zweet te verwerven wat met bloed kan worden gewonnen.

15. Leiders en volgelingen in vredestijd.

Telkens ze geen oorlog voeren, brengen ze niet veel tijd door met jagen, maar veel meer met luieren, ze geven zich over aan slapen en eten, en de dappersten en meest oorlogszuchtigen voeren geen zier uit. De zorg voor huis, haard en akkers wordt overgelaten aan vrouwen, oudere mensen en de zwaksten uit de stam. Zijzelf zitten er sloom bij, door een eigenaardige tegenstrijdigheid in hun karakter, en aangezien dezelfde mensen zo houden van nietsdoen, en zo een afkeer hebben van kalmte. Het is een gewoonte dat de stammen spontaan en per hoofd aan de vorsten vee en graan schenken, wat -als eregave ontvangen- tegelijk in hun behoeften voorziet. Vooral stellen zij op prijs de giften van hun buurvolkeren gezonden, niet enkel door partikulieren, maar ook officieel : keurpaarden, stevige wapens, borstplaten en halskettingen, we hebben ze nu ook al geleerd geld aan te nemen.

16. Woning.

Het is voldoende bekend dat de Germaanse stammen geen enkele stad bewonen, zelfs niet willen dat hun nederzettingen onderling verbonden zijn : ze wonen afgezonderd en apart naargelang een bron, een bouwland, een woud hen bevalt. Ze bouwen hun dorpen, niet zoals wij gewoon zijn, met samenhangende en aaneengebouwde woningen : ieder omgeeft zijn huis met een open ruimte, ofwel als afweermiddel tegen brandgevaar, ofwel uit onkunde bij het bouwen. Zelfs geen bouwstenen gebruiken ze, of dakpannen ; voor alles bezigen ze ongeschaafd hout, zonder zich te bekommeren om uitzicht of smaak. Sommige plaatsen bestrijken ze zorgvuldig met een zo zuivere en schitterende aardsoort, dat ze als het ware een schilderij van lijnen en kleuren doen ontstaan. Ze hebben ook de gewoonte onderaardse kuilen aan te leggen, die ze dan met een dikke laag mest bedekken ; ze dient tot woning in de winter en schuilplaats voor de vruchten. Want op die wijze verzachten ze de barre koude, en als ooit een vijand hen overvalt, plundert hij wel wat hij voor zijn ogen ziet, maar weet hij niet af van de verborgen kuilen, of ontgaan ze hem juist doordat hij ernaar moet zoeken.