tacitus
Tacitus

I, 41. Schaamte van de soldaten.

Nee, ’t was geen beeld van een stralende Germanicus, zoals hij in zijn eigen kamp was, maar van een Germanicus alsof hij in een overwonnen stad was; het geween en geweeklaag bereikte zelfs de oren van de soldaten : ze kwamen naar buiten uit hun tenten. Wat betekende dat geklaag ? Wat was zo droevig ? Aanzienlijke vrouwen, zonder centurio om hen te beschermen, zonder soldaat, totaal ongepast voor de vrouw van een bevelhebber of haar gewoon gezelschap, ze waren op weg naar de Trevieren, om daar bij vreemden trouw te vinden. Vandaar schaamte en medelijden, en gedachten aan haar vader Agrippa, grootvader Augustus, schoonvader Drusus, om haar buitengewone vruchtbaarheid en befaamde deugdzaamheid ; daarbij ook haar kind dat in het kamp was geboren, in de legioenstent opgegroeid, met een soldatenterm was hem de naam Laarsje gegeven, omdat meestal, om de sympathie van de soldaten te winnen, zijn voeten met dit soort schoeisel werden bedekt. Maar niets keerde hun gemoederen meer om dan de afgunst op de Trevieren : ze smeekten, gingen in de weg staan, ze moest terugkeren, ze moest blijven, sommigen liepen Agrippina tegemoet, de meesten terug naar Germanicus. Deze, bedroefd en woedend als hij nog was om de recente gebeurtenissen, begon de samengestroomde massa als volgt toe te spreken.

I, 42. Hartroerende toespraak van Germanicus.

“Nee, mijn vrouw en mijn zoon zijn me niet dierbaarder dan mijn vader en de republiek, maar de ene wordt beschermd door zijn eigen soevereiniteit, het Romeinse volk door de overige legers. Mijn echtgenote en mijn kinderen, die ik voor jullie graag ten dode zou hebben geofferd, verwijder ik nu weg van jullie razernij, opdat, welke de misdaad ook weze die ons bedreigt, ze slechts door mijn bloed wordt verzoend, en opdat niet de dood van Augustus’ achterkleinzoon, de moord op Tiberius’ schoondochter, jullie nog meer schuldig zou maken. Wat is er immers dezer dagen tè gewaagd, tè vermetel voor jullie ? Welke naam moet ik aan dit soort bijeenkomst geven ? Moet ik jullie soldaten noemen, die de zoon van jullie bevelhebber met wallen en wapens belegert, of burgers, door wie zo misprezen wordt het gezag van de senaat ? Ja zelfs het recht aan vijanden eigen, de heilige onaantastbaarheid van een gezantschap, en het volkenrecht hebben jullie verbroken. De goddelijke Julius bedwong met één woord een legeropstand, door “burgers” te noemen, wie hun eed, tegenover hem afgelegd, braken. De goddelijke Augustus bracht bij Actium de legioenen tot vrees, alleen door zijn blik en zijn gelaatsuitdrukking : en alhoewel wij niet aan hen gelijk zijn, maar toch uit hen afstammen, komt het me toch verbazend en verontwaardigend voor, indien een soldaat uit Spanje of Syrië dezelfde belediging zou oplopen. Het eerste en het twintigste legioen, zij ginds, met de standaarden die ze van Tiberius kregen, jullie gezellen in zoveel gevechten, overladen met zoveel beloningen, is dat de schitterende dank die jullie je aanvoerder betuigen ? Zal ik een dergelijke tijding ook vermaken aan mijn vader, die uit alle andere provincies niets dan verheugend nieuws verneemt ? Zijn rekruten, zijn veteranen zijn niet te paaien met ontslag, met geld : hier worden slechts centurio’s omgebracht, tribunen buitengegooid, gezanten in het nauw gedreven. Het kamp, de rivieren, bezoedeld met bloed, en ikzelf moet temidden van vijanden een onveilig bestaan leiden.

Germanicus
Germanicus

I, 43.

Waarom immers hebben jullie, mijn kortzichtige vrienden, op ons samentreffen van de eerste dag, dit zwaard, dat ik bereid was in mijn hart te ploffen, teruggeslagen ? Beter en liefdevoller handelde hij, die zijn zwaard aanbood. Ik zou dan gestorven zijn, voorzeker, zonder medeweten van zoveel wandaden, door mijn leger gepleegd. Jullie zouden een aanvoerder gekozen hebben, die weliswaar mijn dood onbestraft zou hebben gelaten, maar die van Varus en de drie legioenen zou hebben gewroken. Mogen de goden immers niet toelaten dat deze schitterende eer Belgen te beurt valt, al bieden zij zich daarvoor aan, dat zij in naam van de Romeinen optreden, en de Germaanse volken onderdrukken. Uw geest, goddelijke Augustus, in de hemel opgenomen, uw beeld, vader Drusus, de herinnering aan u, met deze zelfde soldaten, die opnieuw door eergevoel en zucht naar roem werden bezield, mogen zij deze schandvlek uitwissen, en de haat tussen burgers omzetten in vernietiging van vijanden. Jullie ook, van wie ik nu het gezicht veranderd zie, het hart bekeerd, indien jullie de gezanten terugschenken aan de senaat, de rust aan de bevelhebber, mijn vrouw en zoon aan mezelf, ontmaak jullie dan van de omgang met woelgeesten, en gooi ze buiten : dat is een stevige grond voor inkeer, een band van trouw.”

I, 44 Bestraffing van de ergste rebellen door de soldaten zelf. Epuratie van het korps der centurio’s.

Onder de indruk van deze woorden begonnen ze hem te smeken en toe te geven dat ze met recht en reden zijn verwijten hadden verdiend ; ze baden hem de schuldigen te straffen, vergiffenis te schenken aan wie een vergissing beging, en hen tegen de vijand uit te zenden ; hij moest zijn vrouw laten terugkomen, het troetelkind der legioenen doen teruggaan, opdat hij niet als gijzelaar aan de Galliërs zou worden overgeleverd. De terugkeer van Agrippina stelde hij uit omwille van de nabije geboorte en de winter : zijn zoontje zou terugkomen, voor de rest moesten ze zelf zorgen. Totaal bekeerd gingen ze uit mekaar, en al wie het felst opstandig was geweest, sleurden ze geboeid naar de legaat van het eerste legioen, C.Caetronius, die over ieder afzonderlijk vonnis velde en de straf voltrok op de volgende wijze. De legioenen stonden als in vergadering met getrokken zwaarden : de aangeklaagde werd door de tribuun op een verhoog getoond ; riepen ze “schuldig”, dan werd hij prompt overgeleverd en afgemaakt. En de soldaten genoten van de slachtpartij, alsof zij zichzelf daarmee van schuld kweten ; Germanicus weerhield hen niet, daar toch door geen persoonlijk bevel van hem deze haat en deze wreedheid bij hen was ontstaan. De veteranen die dit voorbeeld volgden, werden kort daarop naar Raetia gezonden onder voorwendsel van die provincie te gaan verdedigen tegen de oprukkend Sueben, in werkelijkheid echter om ze uit het kamp te verwijderen, aangezien daar nog een bedrukte geest waarde, niet minder door de wreedheid van de repressie als door de herinnering aan de misdadige opstand. Germanicus zelf hield zich daarna bezig met de zuivering van de centurio’s. Nadat door de bevelhebber ieder bij naam was genoemd, samen met de rang, land van afkomst, aantal dienstjaren, en welke militaire onderscheidingen ze hadden verworven, trad ieder op zijn beurt naar voren. Indien de tribuun, en ook het legioen, zijn toewijding en onbaatzuchtigheid hadden goed bevonden, behield hij zijn rang. Wanneer ze eenstemmig hem schraapzucht of wreedheid konden aanwrijven, werd hij uit het leger gestoten.

I, 45 Germanicus maakt zich klaar om naar het kamp in Vetera te vertrekken.

Nadat aldus ter plaatse de rust was hersteld, bleef een absoluut niet lichtere taak over, gezien de woestheid van het 5e en 21e legioen, in winterkwartier bij de 60e mijlpaal (die plaats heet Vetera). Want zij hadden als eerste de opstand doen ontstaan, en de wreedste misdaden werden door hun handen uitgevoerd, en noch door de straf van hun medesoldaten afgeschrikt, noch door berouw tot andere gedachten gebracht stelden ze geen einde aan hun verbolgenheid. Daarom maakte Germanicus gewapende legioenen, een vloot en hulptroepen klaar om ze langs de Rijn naar Vetera te zenden, om, indien men ginds zijn gezag zou trotseren, ze gewapenderhand te bestrijden.

Advertenties