tacitusI, 38. Poging tot rebellie bij de vexilarii in garnizoen bij de Chauci. Durf van Manius Ennius.

De vexilarii van de opstandige legioenen deden in het land van de Chauci, waar ze met de bezetting gelast waren, een poging tot opstand, maar ze werden wel wat tegengehouden door de terechtstelling op staande voet van twee soldaten. Dat had Manius Ennius, de kampcommandant, bevolen, eerder om een voorbeeld te stellen dan volgens een hem toegekend recht. Toen daarna de ontstemming toenam, vluchtte hij, werd ontdekt, en toen hij zag dat zijn schuiloord onveilig was, zocht hij zijn heil in bluf: niet hun commandant werd door hen gemolesteerd, maar Germanicus, de opperbevelhebber, en Tiberius, de keizer. Zodra de opstandelingen de schrik te pakken hadden, greep hij het vaandel en wees ermee in de richting van de rivier, en roepend dat hij voor verrader zou houden wie zijn rang zou verlaten, bracht hij de woelgeesten terug naar het winterkamp, zonder dat ze iets hadden durven doen.

I, 39. Afgevaardigden van de senaat in gevaar.

Ondertussen kwamen gezanten vanwege de senaat naar Germanicus, die reeds was teruggekeerd in de stad der Ubiërs. Daar lagen in een winterkamp 2 legioenen: het 1e en het 20e, en ook de veteranen die kort daarvoor bij de reserve waren ingedeeld. Vreesachtig als ze waren, en door schuldbewustzijn ontredderd, beving hen de vrees dat dit gezantschap op bevel van de senatoren was gekomen, om ongedaan te maken wat de soldaten door hun opstand hadden afgedwongen. Zoals het dan meestal gebeurt bij het volk, ook al is het op valse gronden, dat men een zondeboek zoekt, zo beschuldigden zij Munatius Plancus, oud-consul, hoofd van de delegatie, auteur van het senaatsbesluit ; en in het holst van de nacht begonnen ze het vendel op te eisen, dat in Germanicus’ huis stond, en samengestroomd bij de poort beukten ze de deur in en dwongen Germanicus, uit zijn bed gehaald, hun de standaard te geven, hem openlijk met de dood bedreigend. Daarop, zwervend door de straten, kwamen ze de legaten tegen, die na het horen van het kabaal, naar Germanicus kwamen gelopen. Ze overlaadden hem met scheldwoorden, stonden klaar om te doden, en hadden het vooral op Plancus gemunt, wiens waardigheid hem ervan weerhield te vluchten, en in het grote gevaar waarin hij verkeerde, was er buiten het kamp van het eerste legioen geen andere schuilplaats. Daar greep hij de tekens en de adelaar vast, in een poging om zich onder de goddelijke hoede te plaatsen, en had vaandrig Calpurnius hem niet beschermd tegen het uiterste geweld, dan zou, iets wat zelfs tussen vijanden zelden voorkomt, een legaat van het Romeinse volk in een Romeins kamp met zijn bloed de altaren der goden hebben bezoedeld. Bij dageraad tenslotte, toen het mogelijk was leider en soldaat en feiten te onderscheiden, kwam Germanicus in het kamp, gaf bevel Plancus bij zich te brengen, en bood hem bescherming in zijn tent. Daarna, uitvarend tegen hun fatale razernij, betogend dat dat niet de woede van de soldaten, maar die der goden zou doen oplaaien, maakte hij duidelijk waarom de legaten gekomen waren ; in gevatte termen maakte hij zijn beklag over het geschonden recht van het gezantschap, en over het ernstige en onverdiende vergrijp tegen Plancus persoonlijk ; hij toonde tevens aan welk een schande het legioen op zich haalde, en nadat de toehoorders meer geschokt dan tot rust gebracht waren, zond hij de gezanten, onder geleide van ruiters uit de hulptroepen, weg.

I, 40. Germanicus verwijdert zijn echtgenote en zijn zoontje.

In deze netelige situatie verweet heel zijn omgeving aan Germanicus dat hij niet naar het bovenrijnse leger wou vertrekken, waar nog discipline was en bescherming tegen de rebellen : al meer dan genoeg misdaden waren gepleegd, èn door het ontslag, èn door de geldkwestie, en door de al te makke besluiten van de krijgsraad. Zo zijn eigen veiligheid hem geen zorgen baarde, waarom liet hij dan zijn klein zoontje, waarom zijn zwangere vrouw temidden van razende soldaten, die alle mensenrechten met de voeten traden ? Hen tenminste moest hij terugbezorgen aan grootvader en vaderland. Na lang aarzelen en ondanks het trotse verweer van zijn vrouw, die betoogde dat ze van de goddelijke Augustus afstamde, en niet laf was tegenover het gevaar, overhaalde hij haar om te vertrekken, na eerst met veel tranen haar schoot en hun gemeenschappelijk kind te hebben omhelsd. Deerniswekkend schreed de vrouwenstoet voort, op de vlucht ging de vrouw van de kampleider, met het zoontje op de arm, en rond haar weeklaagden alom vrouwen van vrienden, die samen met haar vertrokken ; niet minder droefheid was er bij hen die bleven.