tacitusI, 35 Grieven van de soldaten. Ze bieden Germanicus de troon aan. Verontwaardiging van Germanicus.

Zodra hij over de opstand begon en hij met aandrang vroeg waar de militaire gematigdheid was, waar de hen zo sierende vroegere tucht, waarom ze de tribunen, waarom ze de centurio’s hadden weggejaagd, ontblootten ze als één man hun bovenlichaam, en toonden verwijtend de littekens van hun wonden en de merktekens van de slagen; daarna, door elkaar heen roepend, vielen ze de kostprijs van de vrijstellingen aan, de karigheid van de soldij, de hardheid van het werk en, in precieze woorden: het opwerpen van wallen, het graven van grachten, het aansleuren van voedsel, materiaal en hout, en al wat verder uit noodzaak, of om de verveling te verdrijven uit het kamp, gevraagd werd. Het scherpste geroep kwam van de veteranen, die 30 of meer dienstjaren telden. Ze smeekten hem dat hij de vermoeiden zou ter hulp komen, opdat ze niet altijd in hetzelfde labeur hun dood zouden vinden, maar dat er een eind zou gemaakt worden aan hun zo vermoeiende dienst, en ze een onbezorgde rust zouden krijgen. Er waren er ook die het geld opeisten, dat aan hen door de goddelijke Augustus was vermaakt, met heilwensen aan Germanicus, en ze verklaarden zich bereid hem te steunen als hij de macht zou willen veroveren. Toen echter, als door een misdaad bezoedeld, sprong hij haastig van het verhoog af. Ze hielden hem tegen met de wapens, toen hij wilde weggaan en bedreigden hem als hij niet terugkomen zou, maar hij riep luide dat hij liever zou sterven dan zijn woord breken, trok het zwaard uit de schede, haalde uit, en zou het in zijn borst geploft hebben, hadden omstaanders niet zijn hand vastgegrepen en hem met geweld weerhouden. Zij die het verst stonden en ondereen samenheulden, en, nauwelijks geloofwaardig om het te zeggen, enkele afzonderlijken, drongen dichterbij en spoorden hem aan toe te slaan; ja zelfs bood een soldaat, Calusidius genaamd, hem zijn getrokken zwaard aan met de opmerking dat het scherper was. Die woeste daad, die van weinig beschaving getuigde, werd zelfs door de woedende soldaten aangegaapt, en er was een pauze, tijdens dewelke de Caesar door enkele vrienden in een tent werd getrokken.

I, 36 Krijgsraad. Beloften namens Tiberius.

Daar werd over een oplossing beraadslaagd; het gerucht ging immers dat men gezanten voorbereidde die het bovenrijnse leger tot dezelfde zaak moesten overhalen, dat de stad der Ubii tot vernietiging was bestemd, en dat op buit beluste benden zouden uittrekken om Gallische steden te plunderen. De vrees groeide nog door het feit dat de vijand, op de hoogte van de opstand bij de Romeinen, een inval zou doen, zeker wanneer de oever onbeschermd zou blijven, maar dat, zo hulptroepen en bondgenoten tegen de afvallige legioenen zouden worden ingezet, er ongetwijfeld een burgeroorlog zou uitbreken. Stugheid was gevaarlijk, toegeven laf; of nu niets werd toegegeven aan de soldaten, of alles, de staat bleef tussen twee vuren. Derhalve, na alle argumenten gewikt en gewogen te hebben, werd besloten een brief te schrijven op naam van de keizer: ontslag zou worden verleend aan soldaten met twintig jaar dienst, wie zestien jaar had geklopt, zou op reservedienst worden gesteld, en behouden onder het vendel, waar ze vrij waren van elke dienst, behalve het weren van de vijand, en de soldij die ze hadden gevraagd, zou worden uitbetaald, ja zelfs verdubbeld.

I, 37 Eisen van de soldaten. Inwilliging. Vertrek van Germanicus.

De soldaten vermoedden dat dit voor de gelegenheid was uitgedacht, en ze eisten prompte uitvoering. Het ontslag werd door tussenkomst van de tribunen bespoedigd, de gelduitdeling probeerde men uit te stellen, tot ieder in zijn winterkwartier zou zijn. De soldaten van het 5e en het 21e legioen gingen niet weg voordat in het zomerkamp zelf het geld was uitgetrokken en betaald, uit de eigen legerkas van Germanicus, en die van zijn aanhangers. De legaat Caecina bracht het 1e en het 20e legioen naar de stad der Ubii terug in een schandelijke wanorde, aangezien het geld, van de bevelhebber afgeperst, tussen de veldtekens en de adelaars werd meegevoerd. Germanicus, naar het bovenrijnse leger vertrokken, nam zonder tegenstand de eed af van het 2e, het 13e en het 16e legioen. Het 14e aarzelde een tijdje; ook hen werd, zonder dat ze het vroegen, ontslag en geld aangeboden.

Advertenties