tacitusI,32 Moord op verscheidene centurio’s.

Ook de legaat trad hier niet tegen op, want de waanzin van de massa had zijn vastberadenheid weggenomen. Ze vielen plots als gekken met getrokken zwaarden de centurio’s aan, die van oudsher bij militairen mikpunt zijn van haat en bron van troebelen. Ze gooiden hen op de grond en ranselden hen af met knuppels, zestig slagen telkens man per man, zodat het aantal stokslagen gelijk werd aan het aantal centurio’s; ze sleurden hen weg, verminkten ze en gooiden ze halfdood van boven vanaf de wallen of in de Rijn. Toen Septimius was gevlucht tot bij de rechterstoel en zich voor de voeten van Caecina wentelde, werd er zo lang op aangedrongen tot hij werd uitgeleverd om ter dood te worden gebracht. Cassius Chaerea, die later door de moord op keizer Gaius roem zou verwerven voor het nageslacht, baande zich, jong als hij toen nog was, en bruisend van hartstocht, een weg met het zwaard door de gewapende tegenstanders heen. Geen krijgstribuun, geen kampoverste kon zijn functie blijven handhaven: de wachtposten voor nacht en dag en alle andere behoeften die het ogenblik meebracht, verdeelden de soldaten zelf. Voor degenen die de gemoederen van de soldaten dieper trachten te peilen, is dat een klaar bewijs van de diepte en de onverzoenlijkheid van hun ontstemming, namelijk het feit dat ze niet afzonderlijk, niet op aanstoken van een handjevol, maar eensgezind losbarstten, in blok zwegen, met zo’n grote eenparigheid en vastberadenheid, dat je zou geloven dat het op bevel geschiedde.

I,33 Germanicus komt op het toneel – Zijn situatie t.o.v. Tiberius en Livia – Zijn karakter.

Ondertussen was aan Germanicus, die – zoals we zegden – in Gallië bezig was de cijns te garen, de dood van Augustus gemeld. Diens kleindochter Agrippina had hij gehuwd en hij had van haar meerdere kinderen, zelf was hij een zoon van Drusus, de broer van Tiberius, en kleinzoon van Livia, maar hij vreesde de verholen haat van zijn oom en zijn grootmoeder, haat waarvan de oorzaken des te pijnlijker waren, omdat ze op geen grond berustten. Want bij het Romeinse volk was de herinnering aan Drusus nog levendig, en men nam aan dat, indien hij aan de macht zou zijn gekomen, hij de republiek zou hebben heringevoerd; vandaar dat nu ten opzichte van Germanicus dezelfde sympathie en verwachting bestond. Want de jongeman was sociaal van aard en uitzonderlijk voorkomend, wat scherp afstak tegen de aanmatigende en ondoorgrondelijke gelaatsuitdrukkingen van Tiberius. Daarbij kwamen de vrouwelijke beledigingen en de stiefmoederlijke plagerijen van Livia tegen Agrippina en de wel wat grote prikkelbaarheid van Agrippina, die nochtans door haar trouw en haar echtelijke liefde, haar karakter, hoe ontembaar ook, ten goede had gekeerd.

I,34 Onbaatzuchtigheid van Germanicus – Terugkeer naar het kamp – Toespraak.

Maar hoe dichter Germanicus bij de vervulling van zijn hoogste verwachtingen kwam, des te feller steunde hij Tiberius; zichzelf, en zijn naaste omgeving en de Belgische stammen verbond hij door een eed aan hem. Daarna, toen hij op de hoogte was gesteld van de oproer bij de legioenen, vertrok hij ijlings, kwam ze reeds buiten het kamp tegen, de ogen naar de grond gericht als uit berouw. Zo gauw hij binnen de wal was gekomen, moest hij door mekaar heen al hun klachten aanhoren. Sommigen namen hem zelfs bij de hand, en alsof ze die hartstochtelijk wilden kussen, brachten ze zijn vingers aan hun lippen, opdat hij zou voelen hoe tandenloos hun mond was; anderen lieten hun benen zien die krom stonden van de ouderdom. De menigte die rond hem stond beval hij zich manipelgewijze op te stellen, omdat ze hem ordeloos voorkwam. De soldaten antwoordden dat ze zo beter konden horen. Dan liet hij de vendels voorbrengen, opdat dit tenminste de cohorten zou onderscheiden; traag gehoorzaamden ze. Dan begon hij met woorden vol eerbied voor Augustus te spreken, ging over naar de overwinningen en triomfen van Tiberius, vooral de lof zingend van de schitterende daden, die hij met de illustere legioenen bij de Germanen had verricht. Daarna verheerlijkte hij de eensgezindheid van Italië, de verknochtheid van Gallië, nergens was er verwarring of tweedracht. Stilzwijgend of met nauwelijks hoorbaar gemompel werd naar deze woorden geluisterd.