tacitusI, 31 Opstand van de legioenen en muiterij in het leger van Neder-Germanië.

Op bijna hetzelfde tijdstip en om dezelfde redenen ontstond een oproer onder de legioenen in Germanië, des te erger, naarmate zij talrijker waren, met de grote verwachting dat Germanicus Caesar de heerschappij van een ander niet zou kunnen verdragen, en zich zou voegen bij die legioenen, die door hun kracht in staat waren om gans het rijk mee te sleuren. Twee legers lagen langs de Rijnoever, het zogenaamde bovenrijnse stond onder het opperbevel van Gaius Silius, met het benedenrijnse was Aulus Caecina belast. Het oppergezag berustte bij Germanicus, die toen druk bezig was belasting te garen in Gallia. Maar de legioenen waarover Silius het bevel voerde, wachtten met onzeker gemoed het resultaat af van de opstand in het andere leger: de soldaten van het benedenrijnse leger waren in razernij geraakt, het was begonnen bij het 21e en het 5e legioen, en ook het eerste en het 20e hadden zich laten meesleuren. Ze lagen immers samen in hetzelfde zomerkamp in het land der Ubiërs, waar ze, behalve wat lichte karweitjes, niets te doen hadden. Bijgevolg, toen het bericht doorkwam van Augustus’ dood, begon de grote menigte van straatjesvolk, die onlangs in de grootstad waren geronseld, en die het nietsdoen gewoon waren en een broertje dood hadden aan inspanningen, de primitieve hoofden van de andere soldaten op hol te jagen: (ze zeiden) dat de tijd gekomen was waarop de veteranen hun verdiende ontslag moesten eisen, dat de jongemannen meer soldij moesten vragen, en allen een grens aan hun ellende moesten afdwingen, en wraak nemen op de centurio’s, om hun wreedheid. Deze woorden werden niet door één enkele man uitgesproken, zoals Percennius het bij de Pannonische legioenen had gedaan, en niet tot vol schrik luisterende soldaten, bang omdat ze rekening moesten houden met andere en sterkere legers, nee, talrijk waren hier de monden en de stemmen die muiterij stookten: dat in hùn handen de Romeinse zaak lag, dat door hùn overwinningen de Romeinse staat werd uitgebreid, dat het hùn naam was die aan zegevierende generaals was gegeven.