tacitusTacitus leefde in de Zilveren Eeuw, in volle keizertijd. Vermoedelijk geboren in Zuid-Umbrië, ging hij studeren in Rome. Hij koos voor een politieke carrière. Hij huwde een dochter van Agricola, wat mede zijn kennis van Engelsen en Germanen verklaart.

Zijn werk gaat deels over de redekunst, deels is het een mengsel van aardrijkskundige en geschiedkundige beschrijvingen. Zijn hoofdwerk is vooral historisch.

Werk

De Dialogus de oratoribus is een jeugdwerk, een literair-kritisch essay in de vorm van een discussie over de oorzaken van het verval van de redekunst. Maternus vertolkt het standpunt van Tacitus : de politieke toestand verklaart het verval van de rede. Omwille van de politieke rust is er geen reden tot redes. De redekunst heeft een woelige tijd nodig. Messala (uit de oude school) meent dat het onderwijs niet deugt. Aper staat voor de nieuwe richting die zegt dat alles goed gaat, dat er geen verval is.

In 98 schreef hij een Encomium, De vita et moribus Iulii Agricolae, een biografisch lofdicht. Qua stijl is Tacitus nog niet persoonlijk, maar een navolger van Sallustius (korte zinnen, psychologische achtergronden).

In hetzelfde jaar schrijft hij De origine et situ Germanorum (Germania), in dezelfde stijl. Het is een rijke bron voor de kennis over de Germanen. Tacitus had een lage dunk van de barbaren, en geeft vooral verschilpunten met de eigen levensstijl.

Zijn hoofdwerk zijn de Historiarum Libri (69-96). Van dit zeer omvangrijke werk zijn de eerste vier boeken, en de helft van het vijfde, bewaard. Het is een pessimistisch werk met een sombere achtergrond, een galerij van onbekwame heersers.

Ab excessu divi Augusti (Annales), in de laatste periode van zijn leven geschreven, behandelt de geschiedenis die voorafgaat aan de Historiae. Ook hiervan is niet alles bewaard.

Wie was Tacitus ?

Tacitus was een republikein, aristocratisch en conservatief. De republikeinse instellingen waren weliswaar niet afgeschaft, maar hadden nog maar weinig te betekenen. In een periode van monarchie en despotisme droomt hij van de vergane republiek. Toch was hij realist genoeg om te zien dat de monarchie het Imperium in stand hield. Om droom en werkelijkheid te verbinden wil hij een hechte samenwerking tussen keizer en senaat.

Als hartstochtelijk Romein keek hij laatdunkend neer op alles wat barbaars of niet zuiver Romeins was.

Tacitus was geen wijsgeer, geen denker, maar een koele geest, die van feiten houdt. Hij had een vaag geloof in de godenwereld, een soort van platonisch geloof, zonder vat op het leven. Hij had een sofokleïsche opvatting : het fatum (de fortuna) en de menselijke vrijheid bepalen de gebeurtenissen. Heel wat kan verklaard worden door de menselijke psyche.

Literair-historisch.

De bronnen die Tacitus gebruikt zijn verscheiden : mondelinge, schriftelijke en eigen herinnering. In de dingen die hij zelf heeft meegemaakt is hij subjectief.

De uitwerking is psychologisch. Hij probeert de dingen te verklaren vanuit de menselijke ziel. Hij is hierin nogal subjectief: zelfs als hij een keuze laat, suggereert hij zijn eigen mening als de goede. Zijn opvattingen zijn ook vaak pessimistisch: hij heeft geen hoge dunk over de mensheid. Door de troebele tijden was hij achterdochtig geworden. Hij wantrouwt de maatschappij. Toch heeft hij ook een platonische hoop dat het goede het zal winnen : de conscientia generis humanae zal het goede doen zegevieren.

Wat is Tacitus’ bedoeling ? Zoals andere historici uit de Oudheid streeft hij helemaal geen objectiviteit na, maar wel een les voor de mensheid. Zijn geschiedenis is dan ook moraliserend, in plaats van een tentoonstelling van naakte feiten. Het verleden is een les om het goede te doen. Toch heeft Tacitus de geschiedenis daarom niet verwrongen. Hij zocht wèl overal conflictsituaties, waar tegenovergestelde krachten tegen elkaar vechten. Kortom, geschiedenis is voor Tacitus niet zozeer wetenschap, dan wel kunst

Wat is zijn metode ? Tacitus selecteert feiten, waarvan hij een geheel maakt, en waarin de mens centraal staat. De motieven van de mens bepalen de feiten. De kleine drama’s worden tot een ensemble verweven. Hij gebruikt veel imperfecta, van de durende handeling, niet zozeer de perfecta van de feiten. Hij stelt de geschiedenis voor als nu gebeurend.

Tacitus maakt ook gebruik van topen (geijkt taalgebruik). De wetenschappelijkheid was voor hem minder belangrijk dan de gebondenheid van de stijl, en de gerichtheid. Geciteerde teksten moesten dan ook worden aangepast. Vele redevoeringen zijn dan ook veranderd weergegeven. Sommige zijn zelfs door Tacitus zelf gemaakt.

Toch had Tacitus een voorliefde voor de waarheid en de onpartijdigheid, voor de typisch Romeinse deugden van dignitas en gravitas, wat zich uit in een aristocratisch woord- en zinsgebruik.

Doorheen het werk van Tacitus loopt een evolutie : van ciceroniaans over sallustiaans tot zijn eigen gebalde en kernachtige, zelfs stoute stijl. Hij durft werkwoorden weglaten en aaneenschakelende voegwoorden vermijden. Hij maakt daarom een rijk gebruik van losse ablatieven en participia. Ook vinden we bij Tacitus vele soorten van epifonemen (slotdichten) : kernachtige spreuken en gezegdes om applaus te lokken. Een laatste kenmerk is de asymetrie.