Plautus

De auteur van blijspelen Titus Maccius Plautus (250-184 voor Chr.) is waarschijnlijk geboren in Noord-Italië (Sarsina in Umbrië). Hij leefde tussen het gewone Romeinse volk en was geen aristocraat  of arrivist. Integendeel, hij moest zelfs een tijdje zijn kost verdienen als knecht bij de molenaar, tot hij van zijn toneelspelen kon leven. Deze zijn vrije bewerkingen van Griekse stukken.

De onderwerpen van zijn stukken  zijn gemeengoed. De lepe, arme, mindere, haalt het op de domme rijke. Zijn werken zijn volks, zonder helden en koningen, maar met klaplopers, slaven, soldaten, kooplui en andere volkse types als protagonist.

Zijn stukken zijn dan ook volks, pittig, maar ook heel stereotiep, plat, en bijwijlen grof. De taal waarin ze zijn geschreven is een pre-klassiek volks Latijn, ongekuist, met ellipsen, samentrekkingen, enz., maar alles tot op een zeker niveau verheven, zodat we Plautus gerust een taalkunstenaar mogen noemen.

Miles Gloriosus (“Kapitein Snoever”) (fragment)

Palaestrio
Sceledrus, Sceledrus, welke andere mens op aarde is onbeschofter dan jij? Wie is er geboren met meer vijandschap en woede onder goddelijk gesternte dan jij?

Sceledrus
Wat is er?

PA Beveel je nog niet je ogen te laten uitsteken, die dingen zien die nergens bestaan?

SC Hoezo, nergens?

PA Zelfs geen rotte noot zou ik voor je leven betalen.

SC Wat is er aan de hand?

PA Wat is er aan de hand, durf je vragen?

SC Waarom zou ik het niet vragen?

PA Ga je die praatzieke tong van je nog niet laten afsnijden?

SC Waarom zou ik dat laten doen?

PA Philocomasium, kijk, ze is thuis. Je hebt toch beweerd dat je haar bij de buurman zag, hem kussend en omhelzend?

SC ’t Is toch wonder dat jij van dolik leeft, terwijl de tarwe zo goedkoop is.

PA En dan?

SC Omdat je bijziend bent!

PA Maar jij, schelm, jij bent niet bijziend, maar blind, want ze is goed en wel thuis.

SC Hoe, thuis?

PA Wel, thuis, verdorie!

SC Loop heen, je speelt met mijn voeten, Palaestrio!

PA Dan zijn mijn handen toch wel vuil.

SC Waarom?

PA Omdat ik met modder speel.

SC Let op je kop.

PA Let liever op die van jou, dat beloof ik je, Sceledrus, als je je ogen en je mening niet verandert. Maar onze deuren kraken al sinds lang.

SC Maar ik hou, op staande voet, van buiten uit die deur in ’t oog, want behalve de deze hier recht voor, is er geen andere doorgang waarlangs ze heen en weer kan lopen.

PA En toch is ze thuis, kijk maar; ik weet niet wat voor boevenstreken jou ophitsen, Sceledrus.

SC Ik, ik heb ogen, ik heb gezond verstand, ik geloof mezelf het meest, geen mens kan me uit het hoofd praten dat ze in dat andere huis is. Hier ga ik staan, opdat ze niet op een onvoorzien ogenblik ervandoor gaat.

PA Dat is mijn man, die ga ik eens uit zijn stelling jagen. Wil je dat ik er eens voor zorg dat je toegeeft hoe dwaas je bent?

SC Vooruit, doe maar.

PA En dat je helemaal geen verstand hebt, en je ogen niet weet te gebruiken.

SC Ik wil wel.

PA Jij beweert dus dat de bijzit van onze baas daarbinnen is?

SC Ja, ik houd vol dat ik haar daarbinnen een andere heb zien kussen.

PA En je weet toch ook dat er geen andere doorgang is van bij ons tot daar?

SC Inderdaad.

PA En geen terras, geen hof, alleen maar een binnenplaats.

SC Dat weet ik ook.

PA Wat nu? Als ze thuis is, als ik ervoor zorg dat je ze met eigen ogen hier uit dit huis ziet komen, verdien je dan geen flink pak rammel?

SC Jazeker!

PA Hou die deur in ’t oog, opdat ze niet stieken hem van daar zou knijpen, en ginds heen gaan.

SC Dat was ik al van plan.

PA Ik zal je haar, met haar beide voeten op de grond, hier op deze weg tonen.

SC Vooruit dan, doe het! Ik wil weten of ik werkelijk gezien heb wat ik zag, of dat die daar kan doen wat hij zegt dat hij zou doen, als zij hier in huis is. Want ik heb mijn ogen, ik leen niet die van anderen. Want die kerel staat bij haar op een goed blaadje. Van hem houdt zij het meest; hij wordt eerst geroepen om te eten, hij krijgt het eerst zijn portie; hij is nauwelijks een drietal jaar bij ons, en geen andere van alle slaven wordt beter behandeld dan hij. Maar ik moet met zorg doen wat ik wou doen, en die deur goed bewaken. Ik ga hier postvatten, verdraaid, ze zullen me niet voor de gek houden.

PA Kijk eens naar links: wie is die vrouw?

SC Wel alle goden, het is het liefje van de baas.

PA Wel verdraaid, dat meen ik toch ook. Vooruit dus, wanneer je lust hebt.

SC Wat moet ik doen?

PA Maak je maar klaar om te sterven.

SC Ik weet niet of ik mezelf nog moet geloven; ik begin te geloven dat ik niet gezien heb wat ik heb gezien.

PA Ik hoop, bij Hercules, dat je spijt niet te laat komt. Als de meester er eerst van had gehoord, zou je een mooie dood sterven.

SC Nu eindelijk voel ik dat er een scherm voor mijn ogen was.

PA Dat is toch al lang geweten, vermits ze het huis niet heeft verlaten.

SC Ja, ik heb geen zekerheid meer bij wat ik zeg; al heb ik haar gezien, ik heb haar niet gezien.