Inleiding (1-10)

De waarde van een gesproken tekst hangt grotendeels af van de inleiding, die de aandacht moet trekken. Ook hier is er een captatio benevolentiae. Ze hangt echter af van de omstandigheden: de positie van Cicero en het feit waarom het gaat. Cicero start met een exordium ex abrupto: plots, hevig, sterk, gepassioneerd, wat we o.a. merken in de vele vraagzinnen. Er zijn een viertal fasen.

1. Een zeer sterke rechtstreekse aanval op Catilina. (1)
Cicero laakt de ongehoorde driestheid en uitdaging van Catilina, en ontmaskert hem: “ons is alles bekend”. Hij doet dat in een ex abrupto-vorm: een snelle opeenvolging van verontwaardigde vragen, overstelpende opsommingen en herhalingen.

2. Schuine aanval op het gezag. (2-3)
“Wij dulden dat alles, ondanks het extreme gevaar.” De vorm is uitroepend (korte zinnen met werkwoorden in reliëf). Er zijn gevoelens van ironie.

3. Voorbeelden van krachtdadigheid uit het verleden. (3-4)
Cicero spreekt hier e contrario: vroeger handelde men anders. Niet bevoegden traden op tegen lichte vergrijpen, en wel bevoegden traden ook op, ondanks verzachtende omstandigheden.
“Wij nu, consuls, schieten tekort, ondanks het senatus consultum, en ondanks de blijvende uitdaging door Catilina.”
“Ik schiet tekort omdat ik mild wil zijn, maar ook mijn plicht moet doen.”
In de vorm vinden we hier meer opsmukkende dan oratorische elementen.

4. Ons dralen doet Catilina steeds maar driester worden. (5)
Via concrete beschuldigingen keert Cicero terug naar de feiten: buiten de stad is een kamp, in de stad Catilina’s loense werkjes.

Besluit.
In de irrealis (geen kordaat besluit) stelt Cicero: “Ik had reeds moeten handelen”. Cicero wil eenparigheid, wat erop wijst dat er nog veel sympathie voor Catilina bestaat. Hij waarschuwt Catilina: “Ik blijf je bespieden.”
Het kordate besluit wordt aarzelender in vorm (voorwaardelijke zinnen) en gedachte (futurum), en op het einde sarcastisch.
Van een beschuldiging spitst hij het gegeven toe op zichzelf.
Er komen reeds thema’s voor die argumenten zullen worden: de schuld staat al vast; er is wel degelijk een ernstige zaak, want er is een senatus consultum; clementia betekent zwakheid; in een dergelijk zaak moet eensgezindheid heersen, iedereen moet zorgen voor veiligheid.


Het eerste deeltje van de confirmatio bestaat uit 2 delen:
1. (einde van 6) “Wat voer je hier nog uit? We weten toch alles. Je hebt hier niets meer te winnen.”
2. (vanaf 7) Cicero bewijst dat hij alles van de samenzwering afweet:
* (meministine) Cicero voorspelde al vroeger wat er ging gebeuren. Reeds een tijd tevoren wist hij het al. De bedoeling van Cicero is hier Catilina onzeker te maken. Zoiets kon maar geweten zijn als er in zijn rangen verraders zitten. Catilina kan dus niemand meer betrouwen.
* (dixi ego idem)  Zeer concrete beslissing van Catilina: de moordpartij die Cicero door zijn waakzaamheid voorkomen heeft. “Ook al ben ik geviseerd, toch blijf ik.” Hier heeft Cicero als bedoeling zijn verantwoordelijkheid in het licht te zetten en Catilina te overtuigen van zijn machteloosheid.
* (Quid …) Ondanks Catilina’s zekerheid (confideres), ondanks de nabijheid van Praeneste, is ook dit opzet doorkeken.
Al wat Catilina onderneemt is op voorhand geweten en gedwarsboomd.

Tot hiertoe waren de bewijzen kort. Nu volgt er een voorbeeld dat breder wordt uitgewerkt: de bijeenkomst bij Laeca. Eerst is er de simpele vaststelling, dan een pathetisch tussenspel (uitroepen) en dan de vaststelling dat alle beslissingen (7 werkwoorden !), die convergeerden in de moord op Cicero zelf, werden verijdeld. Cicero kan zo zijn superioriteit benadrukken, en zijn gebrek aan vrees.

Dit staaltje van superioriteit en practische gezegdes overtuigt ook de senatoren ervan dat er handlangers van Catilina in de Senaat zijn, en dat Catilina laten doen ook gevaarlijk is voor de Senaat, Rome, de wereld. Dat moet voorkomen worden.

Cicero kan alleen de waarheid zeggen, want leugens zouden hemzelf kelderen.

In de vorm vinden we een afwisseling van zakelijke uiteenzettingen met pathetische uitroepen en vragen. De formuleringen zijn kras door de keuze en plaatsing van de details (vooropplaatsen van werkwoorden, asyndetische verbindingen …)

10-13 “Het staatsbelang eist uw vertrek”

Dit stukje is een afgerond deel. Het hoofdthema is samen te vatten in “Ga vrijwillig”, zowel in het begin als op het einde. Dat thema wordt ontwikkeld, niet met bewijzen, maar door het als een klaarblijkelijkheid te doen uitkomen.

10 : Krachtig en bevelend, zonder argumentatie.

11 :” Tot nog toe weerstond ik alleen, ook al beoogde je door mij de hele staat.” Gebed van dank omdat Jupiter hem al drie maal uit een gevaar heeft gered, in publieke aangelegenheden: comitiis, consul designatus, quotienscumque me petisti.

12 : “Nu val je heel de staat aan. Je had al dood moeten zijn, maar dat is niet nuttig voor de staat, dan is alle gevaar niet bestreden.” Cicero probeert zich genadig te tonen.

13 : Hernieuwde bevel.

Tot nu toe hebben we nog geen enkel argument van Catilina’s schuld gevonden. Catilina heeft het op Cicero gemunt. Cicero vereenzelvigt zich met de staat, zodat Catilina een staatsvijand wordt.
Nu komt een gedeelte dat algemener is. Cicero sleurt er ook het privé-leven van Catilina bij.