Cicero's rede tegen Catilina - Cesare Maccari 1888
Cicero's rede tegen Catilina - Cesare Maccari 1888

Antwoord op een mogelijk verwijt.

Nu, heren senatoren, opdat ik me zou bevrijden door een plechtig gebed, van een haast gerechtvaardigde klacht vanwege het vaderland, verzoek ik jullie aandachtig te luisteren naar wat ik zeggen ga, en mijn woorden diep in je hart en je gemoed op te nemen. Immers, zo het vaderland dat mij veel dierbaarder is dan mijn eigen leven, zo gans Italië, zo de gehele republiek mij zou vragen: “Marcus Tullius, wat ben je van plan ? Sta jij zomaar toe dat deze man die je hebt ontmaskerd als staatsvijand, die je kent als toekomstig leider van een oorlog, die je als aanvoerder weet verwacht worden in een vijandig kamp, deze aanstoker tot misdaad, hoofd van een samenzwering, opruier van slaven en verdorven burgers, dat deze man dus uit de stad vertrekt, zodat het de schijn geeft dat hij door jou niet uit de stad is weggejaagd, maar tegen onze stad is uitgezonden ? Je geeft toch wel het bevel om deze man in de boeien te slaan, ter dood te brengen, onder de ergste folteringen af te maken ?

28.
Wat belet je uiteindelijk dat te doen ? De voorvaderlijke gewoonten misschien ? Maar vaak is het toch gebeurd dat in deze republiek zelfs ambteloze burgers verderfelijke medeburgers met de dood bestraften. Of misschien de wetten, uitgevaardigd met het oog op de bestraffing van Romeinse burgers ? Nooit echter hebben in onze republiek zij die hun staatsplicht verzuimden, hun burgerrechten behouden. Of vrees je misschien de haat van nakomelingen ? Een mooie dank breng je warempel aan het Romeinse volk, dat jou – een man die door zichzelf bekend raakte zonder voorvaderlijke luister – zo vroeg reeds langs alle trappen der ereambten tot het hoogste gezag heeft verheven, indien jij omwille van de haat of de vrees voor één of ander gevaar, het heilvan de jou toevertrouwde burgers in de wind slaat.

29.
Maar zelfs indien je bang bent voor haat, dan is een haat die het gevolg is van strengheid en beslistheid niet meer te vrezen dan deze, die voortkomt uit nietsdoen en vadsigheid. Wanneer door een oorlog Italië zal verwoest worden, de steden overhoop gehaald, de huizen in brand gestoken, meen jij dan niet dat jij op jouw beurt door het vuur van de haat zult vergaan in de vlammen ?”

Ik zal op die hoogst eerbiedwaardige woorden van de republiek en van die mensen, die er evenzo over denken in hun hart, in het kort antwoorden. Indien ik, heren senatoren, nog steeds van mening was dat het beste wat ik kan doen zou zijn Catilina te doden, dan zou ik die schoft geen uur langer nog van het leven hebben laten genieten. Immers, wanneer edele mensen en beroemde burgers zich met het bloed van Saturninus en de Gracchen en Flaccus, en zovelen uit vroeger tijden, zelfs niet bezoedelden, maar veeleer zich adelden, dan moest ik ongetwijfeld niet vrezen dat, indien ik deze burgermoordenaar had laten ombrengen, de haat van latere geslachten op mijn hoofd zou neerkomen. En indien dit mij ten zeerste zou bedreigen, toch zou ik steeds van oordeel blijven dat een haat, die het gevolg is van een eerbare daad, roem betekent, niet haat.

30.
Nochtans zijn er in deze senaat meerderen die niet zien welke dreiging ons boven het hoofd hangt, of doen alsof ze het niet zien, die door een lichtvaardig oordeel de hoop van Catilina hebben gevoed en zijn samenzwering bij het ontstaan ervan kracht hebben gegeven door hun weigering eraan te geloven ; op hun gezag zouden velen, en niet alleen de slechten, maar ook de naïevelingen, beweren dat, indien ik tegen hem zou opgetreden zijn, dat wreed en tyranniek zou zijn gebeurd. Ik besef nu dat, zodra hij volgens zijn bedoeling het kamp van Manlius heeft bereikt, er niemand nog zo dwaas zal zijn dat hij het feit van de samenzwering niet zal onderkennen, niemand zo verdorven, dat hij dat niet zal toegeven.

Wanneer nu hij alleen zou gedood zijn, zie ik in dat deze pest voor de staat wel voor een tijdje zal weggenomen zijn, maar niet kan weggesneden worden voor goed. Zo hij echter uit eigen beweging weggaat en de zijnen met zich meesleurt, en bovendien van overal de overige mislukkelingen samenraapt en bijeenbrengt, zal worden vernietigd en uitgeroeid, niet enkel deze zo vergevorderde pestbuil in onze stad, maar ook de kiem en het zaad van alle kwaad.

31.
Want, heren senatoren, reeds lang leven wij in deze gevaren en hinderlagen van samenzwering, maar vreemd genoeg zijn al die misdaden en die langdurige verblinding en driestheid juist tijdens ons consulaat tot rijpheid en uitbarsting gekomen. Maar indien hij alleen, uit een zo talrijke bandietenhoop zou verdreven worden, zouden we ons wellicht voor een korte tijd bevrijd zien van zorg en vrees, maar het gevaar zou blijven bestaan, ingesloten diep in de aders en de ingewanden van de staat. Want zoals vaak mensen die zwaar ziek zijn en door koortshitte worden gekweld, na het drinken van ijskoud water aanvankelijk verkwikt lijken, maar daarop nog erger en heviger hervallen, zo zal ook deze ziekte in de staat door de straf van deze ene man hier verkwikt, nog heviger worden zolang de anderen in leven blijven.

Slot.

32.
Daarom, dat die verdorven kerels zich terugtrekken, zich afzonderen van de goede burgers, op één plaats samenstromen, door een muur tenslotte, zoals ik al dikwijls zegde, van ons gescheiden wezen, dat zij ermee ophouden de consul in zijn eigen huis te belagen, de rechterstoel van de stadsprefect te omsingelen, het senaatsgebouw met zwaarden te belegeren, brandpijlen en fakkels klaar te maken om de stad in brand te steken ; dat tenslotte het op ieders voorhoofd geschreven weze, wat hij over de staat denkt. Ik beloof jullie, heren senatoren, dat wij consuls zoveel waakzaamheid aan de dag zullen leggen, jullie zoveel gezag vertonen, de Romeinse ridders zoveel moed bezitten, alle weldenkende mensen zo eensgezind zijn dat, na het vertrek van Catilina, jullie zullen zien dat alles zal zijn blootgelegd, bewezen, onderdrukt, gestraft.

33.
Wel dan, Catilina, onder deze tekens tot het hoogste heil van de staat, tot je eigen ondergang en verderf, en tot ondergang van al degenen die zich met jou hebben verenigd, in alle soort van misdaad en moord, vertrek dus naar die goddeloze, misdadige oorlog.

Gij, Juppiter, wiens tempel onder dezelfde auspiciën als deze stad door Romulus werd gebouwd, die we terecht beschermer noemen van deze stad en dit rijk, gij zult deze man hier, en zijn meelopers, weghouden van uw tempels en die der andere goden, van de huizen en de muren van de stad, van het leven en het bezit van alle burgers, gij zult die mannen, die zich keren tegen weldenkende burgers, die vijanden zijn van ons vaderland, plunderaars van Italië, door een misdadig verbond en een zondige band onderling verbonden, gij zult hen levend of dood met straffen tuchtigen die geen einde kennen.