Salvator Rosa (1615-1673), De samenzwering van Catilina, Florence, Museo di Casa Martelli
Salvator Rosa (1615-1673), De samenzwering van Catilina, Firenze, Museo di Casa Martelli

Iedereen verafschuwt u.

Want welk plezier kan je immers in deze stad nog vinden, Catilina, waarin niemand meer is buiten je samenzwering van onverlaten, die jou niet vreest, niemand die jou niet haat ? Welk brandmerk van private schande is nog niet in jouw leven ingebrand ? Welke schande kleeft er niet aan je naam in privézaken ? Welke begeerlijkheid ontbrak ooit aan je ogen, welke misdaad aan je handen, welke verdorvenheid aan je hele lichaam ? Aan welke jongeman, die je had verstrikt met het lokaas van je verderf, heb je niet het zwaard aangereikt om er brutaal mee om te springen, of de fakkel om zijn wellust bot te vieren ?

14.
Wat meer is ? Onlangs, toen je door een moord op je eerste vrouw plaats had gemaakt in je huis voor een nieuw huwelijk, heb je dan niet een nieuw schelmstuk gevoegd bij een andere ongelofelijke misdaad ? Ik zal eraan voorbijgaan, en het valt me gemakkelijk erover te zwijgen opdat ik niet de schijn zou wekken dat in deze stad een zo barbaarse misdaad ooit bestaan heeft of ongestraft is gebleven. Ik laat ook onvermeld de totale ondergang van je fortuin, die je boven je hoofd voelt hangen bij de eerstvolgende Iden; en ik kom tot die feiten die niets te maken hebben met de schaamteloosheid van je privé ondeugden, met je huiselijke moeilijkheden en schandalen, maar met de hoogste waarden van de staat, en met het leven en het heil van elk van ons.

15.
Kan dan nog, Catilina, het licht van deze hemel of de lucht die je hier inademt, je aangenaam zijn als je weet dat hier in deze vergadering niemand is die niet weet dat jij op de 31e december onder het consulaat van Lepidus en Tullus in de comitiën stond met het wapen in de hand, dat je een bende had geronseld om de consuls en de notabelen van deze stad te vermoorden en dat toen voor je waanzinnige misdaad niet enig berouw of angst van je, maar de geluksgodin van het Romeinse volk in de weg stond ? Maar ook die misdaden laat ik terzijde, ze zijn immers niet onbekend of eenmalig gesteld. Daarna : hoe dikwijls heb je niet gepoogd mij, aangewezen consul, te doden, hoe dikwijls toen ik al consul was ? Hoeveel aanvallen van jou, zo precies gericht dat ze nauwelijks te ontwijken schenen, heb ik ontweken met een kleine buiging, en zoals men dat noemt, met een zwenking van het lichaam ! Niets bereik je, geen enkel succes heb je, en toch geef je het niet op te pogen en te willen !

16.
Hoe dikwijls is die dolk je niet uit de handen gewrongen ? Hoe dikwijls viel hij of gleed hij eruit door een of ander toeval ? Wat nu die dolk betreft, met welke riten je die hebt ingewijd of toegewijd, dat weet ik niet, omdat je meent dat hij noodzakelijkerwijze in een consulslichaam moet worden geplant. Nu dan, wat heb je voor een leven ? Want ik ga nu zo met je spreken, niet alsof ik gedreven zou zijn door haat, waardoor ik zou moeten gedreven worden, maar wel door medelijden, wat jij absoluut niet verdient. Je bent daarnet in de senaat binnengekomen : wie uit deze zo talrijke vergadering, wie van je zovele vrienden en verwanten heeft je gegroet ? Indien dit sinds mensenheugnis niemand is overkomen, ga jij dan wachten op een formele smaad, wanneer je nu reeds gebukt gaat onder het zwaarste vonnis van stilzwijgendheid ? En verder, dat bij jouw aankomst deze banken hier leegliepen, dat alle oud-consuls die door jou zo vaak ter dood bestemd zijn geweest, juist toen jij ging neerzitten, een deel van de plaatsen leeg en onbezet lieten, in welke gemoedsgesteltenis meen je dat te moeten incasseren ?

17.
Mijn slaven, indien ze verduiveld me op zulke wijze zouden vrezen, zoals alle burgers jou vrezen, dan zou ik denken dat het voor me hoog tijd werd mijn huis te verlaten: meen jij niet dat jij de stad moet verlaten ? En indien ik zou vaststellen dat ik ten onrechte door mijn medeburgers zo zwaar zou worden verdacht en beledigd, dan zou ik eerder de aanblik van die burgers willen missen, dan door allen met vijandige ogen te worden aangekeken. Jij nu, wanneer je, bewust van je misdrijven, begint in te zien dat de haat van allen tegen jou gerechtvaardigd is, en reeds lang jou toekomt, aarzel je dan de aanblik en het gezelschap te mijden van hen, wiens hart en gemoed je hebt gekwetst ? Als je eigen ouders je zouden vrezen en haten, en als je op geen enkele manier met hen tot verzoening zoudt kunnen komen, dan zou je, denk ik, wel ergens anders, ver weg van hun ogen, heentrekken. Nu haat en vreest je het vaderland, dat ons aller gemeenschappelijk ouderpaar is, en reeds lang is het van oordeel dat jij geen andere plannen koestert dan het te vermoorden. Zal jij dan zijn gezag niet eerbiedigen, zijn oordeel niet involgen, zijn macht niet vrezen ?

18.
Dat vaderland nu, Catilina, komt met je in contact en spreekt je om zo te zeggen stilzwijgend aan: “Sinds enkele jaren is er geen enkele misdaad meer tot stand gekomen tenzij door jou, geen euveldaad tenzij door jou; jij alleen mocht straffeloos en ongehinderd vele burgers ter dood brengen en bondgenoten grieven en uitbuiten; je hebt het gekund, niet alleen de wetten en rechtbanken voor lucht te nemen, maar zelfs ze met de voeten te treden en te fnuiken. Al die vroegere misdrijven heb ik, hoewel ze niet te dragen waren, naar best vermogen toch gedragen, maar nu, dat ik om jou alleen zo totaal in vrees moet leven, dat bij het minste gerucht Catilina bron van vrees is, dat geen enkel plan tegen mij schijnt te kunnen beraamd worden, zonder dat het met jouw misdadigheid wat te maken heeft, dat kan ik niet langer verdragen. Daarom: ga weg en verlos me van die angst; zo hij gegrond is, opdat ik er niet aan ten onder zou gaan, zo hij ongegrond is, opdat ik eindelijk zou kunnen ophouden met vrezen.”

19.
Als, zoals ik zei, het vaderland je zo zou toespreken, zou het dan bij jou geen succes moeten oogsten, zelfs al kan het geen geweld gebruiken ? En wat te zeggen over je vrijwillige vraag naar voorarrest, dat je om alle verdenking af te wentelen, zei bij Manius Lepidus te willen gaan wonen. Door hem niet aanvaard had je zelfs het lef naar mij te komen, met de vraag of ik je in mijn huis zou willen bewaken. Toen je ook van mij hetzelfde antwoord kreeg, dat ik me op geen enkele manier veilig kon voelen binnen dezelfde muren als jij, vermits ik reeds in groot gevaar verkeerde omdat we ons binnen dezelfde wallen bevonden, ben je naar de praetor Quintus Metellus gegaan. Door hem afgewezen verhuisde je naar je boezemvriend, de achtenswaardige Marcus Metellus, een man waarvan je natuurlijk dacht dat hij het angstvalligst zou zijn om je te bewaken, en het schranderst om je te doorzien, en het meest doortastend om je te bestraffen. Maar hoe ver schijnt hij af te staan van kerker en van boeien, hij die zichzelf reeds bewaking waardig acht ?

20.
Als de zaken zo staan, Catilina, aarzel je dan nog, vermits je toch niet gelaten een heldendood kunt sterven, aarzel je dan nog weg te gaan naar een ander land, en dat leven van je, dat ontsnapte aan de vele rechtvaardige en verplichte straffen, toe te vertrouwen aan een vrijwillige ballingschap ? “Leg de zaak voor aan de senaat”, zeg jij; dat is immers een eis van je, en je belooft te zullen gehoorzamen indien deze vergadering zou instemmen met het besluit je in ballingschap te sturen. Ik zal de zaak niet voorleggen, want dat is tegen mijn gewoonte, en toch zal ik ervoor instaan dat je zult te weten komen wat deze mensen over jou denken. Vertrek uit de stad, Catilina, bevrijd de straat van de angst, ga in ballingschap, als dat het woord is waarop je wacht. Wel dan, merk je dan niets, treft je hun stilzwijgen soms niet ? Ze dulden, ze zwijgen. Waarom wacht je op het gezag van hun spreken, als je in hun zwijgen hun wil herkent?

21.
Immers, indien ik datzelfde zou hebben gezegd tegen deze flinke knaap hier, Publius Sestius, of tegen de koene Marcus Marcellus, dan zou – en met het hoogste recht – de senaat in deze tempel zelf tegen mij, ook al ben ik consul, een krachtdadige hand hebben verheven. Maar nu het over jou gaat, Catilina, wanneer ze rustig blijven, keuren ze goed, wanneer ze zich passief houden, beslissen ze, wanneer ze zwijgen, schreeuwen ze het uit; en niet alleen zij, van wie het gezag jou ongetwijfeld dierbaar is, maar het leven waardeloos, nee, ook al dezen hier, Romeinse ridders, eerbiedwaardig en dapper, en al die andere voortreffelijke burgers die voor de senaat staan, waarvan je het grote aantal kunt zien, hun verlangens doorschouwen, en daarnet nog hun stemmen horen. Van hen, van wie ik al een poos nauwelijks de handen en wapens, tegen jou gericht, kan tegenhouden, zal ik gemakkelijk bekomen dat ze je tot aan de stadspoorten uitgeleide zullen doen, wanneer je deze stad, die je al lang hebt willen ten gronde richten, verlaat.

Advertenties