13-21 “Iedereen verafschuwt u.”

In het voorgaande deel kwam een zeer sterk imperatief tot uiting: ga weg. Dit wordt nu aangevuld met een argumentatio de persona, niet de causa. Er is geen echte zaak, maar een geheel van verdenkingen rond de persoon van Catilina. Het is een afbreken, een kapotschilderen van Catilina.

De eerste zin geeft het thema aan: wat heb je hier nog te zoeken? Het doel van de argumentatio is Catilina totaal isoleren, iedereen totaal tot vijand van Catilina maken. Niemand wil nog tot Catilina’s aanhang behoren. Het hoofdthema is dus: “Niemand wil met jou nog wat te maken hebben.” Het is uitgewerkt in een golfbeweging: het persoonlijk leven van Catilina, afgewisseld door refrein “Ga weg!”. Dat wordt uitgewerkt in vijf punten.

1. Iedereen haat en vreest je

1a. om je privé-leven: algemeen voorgesteld in vragen van 13, concreet gemaakt in 14 (huwelijksperikelen, failliet) ;

1b. om je politieke wandaden (algemeen, dadelijk ook concrete voorbeelden);

1c. toespitsing me <–> tu: wat je ook doet, ik ben de sterkste; machteloosheid van Catilina die toch verbeten blijft voortdoen (15, 16), uitroepen en sarcasme.

Is Catilina een politiek ambitieus samenzweerder, of een vuige bandiet, zoals hier gezegd wordt ?

2. Medelijden

… omdat Catilina zo alleen staat. Eigenlijk is dit een vuile streek van Cicero, want Catilina had nog veel aanhang. Cicero wil de anderen het tegendeel doen geloven.
“Niemand heeft je gegroet, wat is je leven hier nog waard?” (De tekst is weer vragend, nergens betogend, redenerend.)
“Ik spreek uit medelijden, al verdien je het niet.” (enige bevestigende zin)
“Als mijn slaven me zo zouden vrezen, als de burgers je vrezen, wat zou ik dan doen : weggaan (17).

3. Prosopopee (17, 18, 19)

– als je ouders …
– het vaderland vreest je
– het vaderland smeekt je … weg te gaan (de eigenlijke prosopopee: de schrijver/redenaar maakt van een idee of een onbezield wezen een levende, intelligente en handelende persoon)

Door de vormgeving en de prosopopee is deze tekst zeer plechtig. Het is een betogende, redenerende tekst zonder vraag.

4. Refutatio (19-20) (Het weerleggen van eventuele opmerkingen, om ze zo te voorkomen.)

Opwerping: “Ik heb mezelf toch laten bewaken”.
Cicero weerlegt dat door te zeggen dat de vraag schijnheilig was (Je vroeg het aan mensen die dat niet wilden of konden doen, zo kwam je terecht bij een spitsbroeder (sarcasme)). Conclusie: je beschuldigt daardoor jezelf, je hoort thuis in een kerker. Refrein: ga weg!

Ook hier is de vorm positief gesteld: verhaal en interpretatie van feiten.

5. Opwerping van Catilina wordt afgewezen, niet weerlegd (20-21)

“Breng het in voorstel voor de Senaat”.
Dit wordt zomaar afgewezen, dat is Cicero’s gewoonte niet. Normaal zou Cicero wel laten stemmen, als hij dat niet doet is hij niet zeker dat hij een absolute meerderheid haalt.

Imperatief: “Ga weg!”.
De Senaat stemt daar zò al mee in, door te zwijgen. Ze zouden blij zijn als je weggaat.

Wat is de overtuigingskracht, de waarheidswaarde?

1. Cicero wil overbluffen.
Hij wil Catilina politiek en privé totaal breken, zonder dat de man zich kan verweren. Catilina mag geen kans krijgen om iets te zeggen. De redevoering verloopt in een snel tempo: vragen, uitroepen, preterities…
Ook de Senaat wil hij verstommen met feitenmateriaal en insinuaties. Het ontbreekt aan echte argumentatie.

2. Tactisch is Cicero uitstekend.
De strategie van zijn aanval is uitstekend: hij springt van het ene gevoel naar het andere, van vuig en gemeen naar zoetsappig. Hij spreekt met haat, verachting, medelijden, overmoed, geringschatting. Er is een heel goede harmonie in de stijl.

3. Hij aarzelt niet de gevoelige snaar van de Romeinen te betokkelen.
… als hij spreekt over het vaderland, dat eindpunt is van een hele gradatie. Het vaderland wordt ten tonele gevoerd: de prosopopee is de hoogste vorm van het beroep doen op de emoties, niet zomaar een stijlfiguur.

Volgend deel: “Als je niet gaat omdat iedereen je haat, ga dan omdat je mij haat.”

22-27 “Ga in ballingschap uit haat tegen mij” – “Of ga naar Etrurîë, waar alles op je wacht”

Dit zijn nog twee bijkomende argumenten, die niet zo belangrijk zijn. Door te vertrekken zou Catilina kleur bekennen. Er zijn geen echte bewijzen, argumenten. Het zijn uitdagingen, aansporingen.

Eerste uitdaging: Ga weg om je op mij te wreken.
1. Uit jezelf ga je toch niet.
2. Als ik je verdrijf zal dat later aan mij worden verweten. Je kan mij dus nadeel berokkenen.
3. Conclusie: ga dus.
Cicero krabbelt hier wat terug omdat er nog geen vaste bewijzen waren. Bovendien was de tegenpartij behoorlijk machtig.

Tweede uitdaging: Ga, je vrienden wachten op je.
1. Alles is klaar en vastgelegd. Doe gewoon wat je zinnens was.
2. Je hele wezen drijft je in die richting.
3. Ook je hele verlangen drijft je in die richting.
4. Laatste hoon: Catilina’s zwakheid tegenover Cicero’s succes.

Het hoofddeel is voorbij. Vóór de peroratio gooit Cicero het over een andere boeg. Hij verdedigt nogmaals zijn eigen beleid door te antwoorden op het verwijt dat hij te mild is geweest.

27-31 Antwoord op een mogelijk verwijt.

Het laatste deel lijkt er wat bijgesleurd. Het bevat in feite niets nieuws.

Hoofdidee: het kwaad moet in de kiem gesmoord worden, helemaal, met wortel en al.
Achtergrond: een zeer voorzichtige tactiek van Cicero, die zich zowel nu als later wil gedekt weten.
Indeling: 1. Een beroep op het vaderland (prosopopee ; 2. Het antwoord daarop.

Prosopopee
a) Verwijt: “Waarom heb je Catilina gespaard? Waarom heb je hem nog niet lang gedood?”
Redenen: Catilina is werkelijk een misdadiger ; bovendien is hij gevaarlijk voor de staat.

b) Niets belet je dat te doen:
Vroegere voorbeelden. De zin van het burgerschap.
“Is dat de dank aan een staat die je zoveel heeft geschonken?” : argumentum de persona.
“Vrees je misschien de haat van de toekomst?” Op dit laatste antwoordt Cicero.

Antwoord van Cicero
Ik vrees dat niet, want een dergelijke haat zou mij sieren, maar ik aanzie het niet als een echte haat.
Maar velen zijn nog blind: Catilina’s heengaan zal hun ogen openen; Catilina’s straf zou slechts een gedeeltelijke oplossing zijn, de samenzwering moet volledig worden uitgeroeid.
Homerische vergelijking.

Cicero vreest de terugslag van wat hij wel graag zou doen, ook al zegt hij het tegengestelde. Daarom zou hij graag hebben dat Catilina door zijn vertrek alles zou bewijzen.

32-33 Slot.

Het slot sluit zeer dicht aan bij het voorgaande. De peroratio is geen conclusie van het geheel, maar het thema wordt hernomen, uitgewerkt op een manier die geen beroep doet op het verstand, maar op het gevoel van de toehoorders. Het is meer ophitsend dan overtuigend. Het is het begin en het einde die zo belangrijk zijn. Cicero eindigt met een opwekking en met een gebed, en dat deed het.

“Dat ze weggaan!”
“Wij allen zullen onze verantwoordelijkheid opnemen.”
Gebed: “Jupiter moge ons redden en hen straffen, zonder medelijden.”