Greek001
Xenophon, Anabasis Boek IV, Hoofdstuk 3

1.
Nogmaals kampeerden de Grieken die dag in dorpen, ditmaal in dorpen die boven de vlakte van de Centritesrivier lagen. Deze rivier is ongeveer 60 m breed en vormt de grens tussen Armenië en het land van de Carduchen. En hier leefden de Grieken weer op, van vreugde omdat ze de vlakte zagen. De rivier was van het Carduchengebergte zes of zeven stadiën verwijderd.

2.
Toen kampeerden ze dan in zeer opgewekte stemming, want ze hadden te eten en ze haalden in grote mate hun voorbije miserie op. Want al die zeven dagen dat ze door het land van de Carduchen hadden getrokken, hadden ze moeten strijden, en ze hadden er meer ellende moeten doorstaan dan alles wat ze van de koning en Tissaphernes hadden te verduren gekregen. Overtuigd nu, dat ze van dat alles bevrijd waren, gingen ze welgemoed ter ruste.

3.
Bij het aanbreken van de dag zagen ze aan de overzijde van de stroom ruiters in volledige uitrusting, blijkbaar met de bedoeling hun de overtocht te beletten. Ook bemerkten ze voetvolk, opgesteld op de oever, achter de ruiters, met de bedoeling hun te verhinderen Amenië binnen te trekken.

4.
Het waren troepen van Orontas en Artouchas, Armeniërs en Marden en huursoldaten uit de Chaldeeënstam. Men zegde dat de Chaldeeën onafhankelijk en dapper waren – als wapens hadden ze ruitvormige schilden en lansen.

5.
Die lange hoogte nu, waarop ze opgesteld stonden, lag op drie of vier plethren van de rivier ; de enige weg die men zag leidde naar omhoog en hij scheen door mensenhanden gemaakt ; op die plaats trachtten de Grieken over te steken.

6.
Omdat ze de indruk kregen dat het water tot boven de borst reikte, voor wie de rivier trachtte over te steken, en omdat grote en glibberige stenen de bodem oneffen maakten, en daar het niet mogelijk was de wapens onder water vast te houden – zoniet dreigde de stroming hen mee te sleuren – en omdat ze onbeschut waren tegen pijlen en andere werptuigen als ze hun wapens boven hun hoofd hielden, trokken ze zich terug en sloegen opnieuw hun kamp op, ter plaatse langsheen de rivier.

7.
Maar toen zagen ze op de berg, waar ze de vorige nacht hadden doorgebracht, de Carduchen, die zich met velen hadden verzameld en die in wapenuitrusting waren. Vandaar dan maakte zich een grote moedeloosheid van de Grieken meester, enerzijds omdat de rivier moeilijk over te steken was, omdat ze de mannen zagen die hen beletten over te steken, en omdat de Carduchen klaar stonden om hen in de rug aan te vallen als ze zouden oversteken.

8.
Die dag en nacht brachten ze daar zo door in grote besluiteloosheid. Toen kreeg Xenophon een droombeeld : hij had de indruk dat hij in de boeien was geklonken, maar dat deze vanzelf van hem afvielen, zodat hij bevrijd was en de benen kon uitstrekken zover hij maar wilde. ’s Morgens ging hij naar Cheirisophos en zei hem dat hij hoop had op een goede afloop, en hij vertelde hem zijn droom.

9.
Deze was verheugd, en zo gauw de dageraad aanbrak lieten de generaals, die allen aanwezig waren, een offer brengen, en van bij het eerste offer al waren de voortekenen gunstig. Toen ze van het offer terugkwamen, lieten de generaals aan het leger weten dat ze het ontbijt konden bereiden.

10.
En terwijl Xenophon aan het ontbijten was, liepen twee jongemannen op hem toe ; want allen wisten dat men hem mocht gaan opzoeken, zowel bij het ontbijt als het avondmaal, en dat men, als hij sliep, hem mocht wekken, telkens iemand iets te zeggen had in verband met de oorlogsaangelegenheden.

11.
En zo zegden ze nu, dat ze toevallig hout aan het sprokkelen waren, zo om een vuur te maken, toen ze aan de overkant, daar waar de rotsen uitlopen tot vlak bij de stroom, een oude man, een vrouw en kleine meisjes zagen, die zakken met kleren in een kleine grot weglegden.

12.
Toen ze dat gezien hadden kwamen ze op het idee dat ze daar zonder gevaar konden oversteken ; bovendien was het terrein daar ook niet toegankelijk voor vijandige ruiters. Zij zegden dat ze zich uitkleedden, dat ze overstaken met in de hand een dolk, maar zonder schild, omdat ze meenden dat ze zouden moeten zwemmen, en zij geraakten zo te voet aan de overkant, zonder het onderlijf nat te maken ; en eens aan de overkant namen ze de kleren mee en kwamen terug.

13.
Onmiddellijk nu bracht Xenophon persoonlijk een plengoffer en hij gaf bevel aan de jongemannen in te schenken en te bidden tot de goden die de dromen en de doorwaadbaren plaats getoond hadden, dat ze ook de andere weldaden tot vervulling zouden brengen. Na het plengoffer bracht hij onmiddellijk de twee mannen naar Cheirisophos, waar ze het verhaal nog eens overdeden. Toen hij dat gehoord had, liet ook Cheirisophos plengoffers brengen.

14.
Na het plengoffer gaven ze aan al de anderen het bevel zich reisvaardig te maken, terwijl ze zelf eerst de bevelhebbers bijeenriepen en beraadslaagden hoe ze het best zouden oversteken, en de mannen vóór hen konden overwinnen en van de mannen achter hen het minste kwaad zouden ondervinden.

15.
En ze beslisten dat Cheirisophos voorop zou gaan en zou oversteken met de helft van het leger, en dat de andere helft met Xenophon moest wachten, en dat de lastdieren en de tros tussen hen moesten oversteken.

16.
Vermits dat alles in orde was, begaven ze zich op weg ; de twee jongemannen hadden de leiding met aan hun linkerkant de stroom ; de weg naar de doorwaadbare plaats was ongeveer vier stadiën lang.

17.
Terwijl ze oprukten, trok aan de overkant de vijandelijke ruiterij mee op. Toen ze ter hoogte van de doorwaadbare plaats, tegenover de rotsige oever, gekomen waren, hielden ze halt en Cheirisophos zelf omkranste zich als eerste, legde als eerste zijn bovenkleed af en nam de wapens op, waarna hij alle anderen beval hetzelfde te doen ; de bevelhebbers gaf hij de order de troepen in lange colonnes op te stellen, de enen links, de anderen rechts van hem.

18.
En intussen slachtten de waarzeggers voor de riviergod, terwijl de vijanden schoten en slingerden, zonder doel te treffen.

19.
Omdat de voortekenen gunstig waren, hieven alle soldaten de paean en slaakten de strijdkreet, en alle vrouwen gilden mee.

20.
Cheirisophos stapte met zijn mannen in het water. Xenophon liep met de vlugsten uit de achterhoede uit alle macht terug naar de doorwaadbare plaats tegenover de toegang tot de Armeense hoogvlakte. Zo gaf hij de indruk dat hij langs daar ging oversteken, en de ruiters langs de rivier gingen de weg versperren.

21.
De vijanden zagen dat de mannen van Cheirisophos zonder moeite het water overstaken en omdat ze zagen dat de mannen van Xenophon terugliepen werden ze bang dat ze ingesloten zouden worden, en daarom vluchtten ze uit alle macht naar de uitweg boven de rivier. Toen ze ter hoogte van de weg waren gekomen, drongen ze op naar het gebergte.

22.
Toen Lycios, de bevelhebber van de ruiterij, en Aeschines, die de peltasten van Cheirisophos aanvoerde, hen uit alle macht zagen wegvluchten, zetten ze de achtervolging in ; de soldaten riepen hun toe hen niet te laten ontsnappen, maar mee op te trekken naar het gebergte.

23. Cheirisophos van zijn kant, achtervolgde de ruiters niet toen hij overgestoken was, maar hij trok dadelijk op tegen de vijand boven hem over de tot bij de rivier uitlopende rotsen. Omdat de mannen daarboven bemerkten dat hun eigen ruiters vluchtten, en dat de hoplieten op hen afkwamen, verlieten ze de hoogte boven de stroom.

24.
Toen Xenophon zag hoe aan de overkant alles gunstig verliep, rende hij zo snel mogelijk naar het deel van het leger dat aan het oversteken was. Want men kon de Carduchen duidelijk naar de vlakte zien afdalen om de achterhoede aan te vallen.

25.
Cheirisophos hield de gebieden daarboven bezet, en Lycios had getracht met enkele mannen de achtervolging in te zetten, en zo veroverde hij eerst de achtergelaten lastdieren en samen met hen mooie kleren en bekers.

26.
De lastdieren der Grieken en de tros waren juist aan het oversteken, toen Xenophon zijn manschappen met een halve draai tegen de Carduchen front liet maken, en zijn bevelhebbers de opdracht gaf hun eigen afdelingen per peloton op te stellen, door ieder peloton links te laten opmarcheren, tot ze een slaglinie vormden ; ook beval hij dat de bevelhebbers en de pelotoncommandanten moesten gaan staan aan de zijde van de Carduchen, en aan de kant van de stroom gelidsluiters opstellen.

27.
Toen de Carduchen zagen dat de achterhoede het zonder tros moest stellen, en nog maar een klein groepje scheen te zijn, verhaastten ze nog hun opmars onder het zingen van een soort liederen. Omdat bij Cheirisophos nu alle gevaar geweken was, zond hij de peltasten, de slingeraars en de boogschutters naar Xenophon, met de opdracht te doen wat die hen zou bevelen.

28.
Toen Xenophon hen aanstalten zag maken om over te steken, zond hij een bode met het bevel om daar te blijven, bij de stroom, en niet over te steken ; maar wanneer zijzelf zouden gaan oversteken, dan moesten ze hen tegemoet komen als om over te steken links en rechts van hen, de speerwerpers klaar om hun speer te werpen, de boogschutters met de boog gespannen ; ook beval hij dat ze niet te ver vooruit mochten gaan.

29.
Maar aan de eigen manschappen beval Xenophon dat ze zingend zouden inlopen op de vijand, vanaf het ogenblik dat de slingersteen doel zou treffen en het schild zou kletteren. “Zodra de vijand rechtsomkeer maakt en de trompetter vanuit de rivier het teken geeft tot de strijd, moeten jullie allen naar rechts omkeren en de gelidsluiters aan het hoofd moeten zo vlug mogelijk lopen en de rivier oversteken, ieder op zijn plaats in het gelid om mekaar niet te hinderen.” Hij zou de moedigste zijn, die het eerst aan de overkant zou zijn.

30.
Toen de Carduchen zagen hoe weinig talrijk de achtergebleven groep nog maar was – want velen, ja ook degenen die de opdracht gekregen hadden te blijven – waren weggegaan, de enen bekommerd om de lastdieren, de anderen, bekommerd om de bagage, toen vielen ze onverschrokken aan en ze begonnen stenen te slingeren en pijlen af te schieten.

31.
De Grieken hieven de paean aan en gingen in stormpas tot de aanval over; de Carduchen wachtten echter niet af, want ze waren toereikend gewapend voor schermutselingen in de bergen, om snel aan te vallen en te wijken, maar onvoldoende voor een handgemeen.

32.
Op dat moment gaf de trompetter het teken, de vijand vluchtte nog veel harder, terwijl de Grieken zich omkeerden en zo snel mogelijk door de rivier vluchtten.

33.
Enkele vijanden kregen dat in het oog, liepen terug naar de rivier, en verwondden er enkelen met pijlen, maar men kon de meesten nog duidelijk zien vluchten, ook al waren de Grieken aan de overkant.

34.
De soldaten die hen tegemoet waren gekomen en in hun strijdlust te ver waren gegaan, konden eerst na Xenophons manschappen terug oversteken; ook van deze mannen werden er enkelen gewond.