Xenophon, Anabasis, Boek IV, Hoofdstuk 1

5.
Toen er, tegen het naderen van de laatste nachtwacht, nog maar zoveel van de nacht restte dat ze in het duister de vlakte zouden kunnen oversteken, toen braken ze hun kamp op en marcherend bereikten ze tegen de ochtend de voet van het gebergte.

6.
Daar dan nam Cheirisophos de leiding van de voorhoede, bestaande uit zijn eigen troepen in het leger, en alle lichtgewapenden, terwijl Xenophon volgde met de hoplieten die de achterhoede vormden, zonder ook maar één lichtgewapende bij zich te hebben, want er scheen geen enkel gevaar te bestaan dat iemand hen in de rug zou aanvallen terwijl ze naar boven oprukten.

7.
Cheirisophos bereikte de top van de berg, zonder een vijand te zien (of: zonder dat iemand der vijanden het zag). Vervolgens trok hij langzaam vooruit. Daarna volgde altijd langzaam op de voet dat deel van het leger dat overstak in de richting van de dorpen in de valleien en de uithoeken van de bergen.

8.
Toen verlieten de Carduchen hun huizen en ze vluchtten met vrouwen en kinderen het gebergte in. Levensmiddelen lagen er in overvloed voor het grijpen, ook waren de huizen rijkelijk voorzien van bronzen vaatwerk, waarvan de Grieken niets meenamen, evenmin achtervolgden ze de mensen en ze ontzagen ze enigszins, in de hoop dat de Carduchen hen in vrede door hun land zouden laten gaan, daar ze toch de koning vijandig gezind waren.

9.
Van de levensmiddelen nam ieder mee wat hij aantrof, want het was nodig. De Carduchen luisterden niet naar het roepen der Grieken en ook deden ze niets anders vriendelijks.

10.
Toen de achterhoede der Grieken afdaalde van de bergtop naar de dorpen, toen het reeds donker was – omdat de weg smal was had de beklimming en de afdaling immers een hele dag in beslag genomen voor hen – toen verzamelden zich enkele Carduchen en ze vielen de achterhoede aan en doodden sommigen en verwondden anderen met stenen en pijlen hoewel ze met weinig waren, want onverwachts had het Griekse leger aangevallen.

11.
Maar als ze zich toen met meerderen hadden kunnen verzamelen, had het merendeel van het Griekse leger het gevaar gelopen vernietigd te worden. Zo kampeerden ze die nacht in de dorpen. De Carduchen lieten in de omgeving boven in de bergen vele vuren branden en ze hielden contact met elkaar.

12.
Bij het ochtendgloren kwamen de Griekse veldheren en lochagen samen en ze beslisten met de onontbeerlijke en sterkste lastdieren op te rukken en de andere achter te laten, en alle slaven in het leger, die kort tevoren krijgsgevangen waren genomen, te laten gaan.

13.
De lastdieren en krijgsgevangenen, omdat ze met velen waren, gingen langzaam vooruit, en de opzichters – en die waren met velen – waren buiten strijd, en er moesten tweemaal zoveel levensmiddelen aangeschaft en aangevoerd worden omdat er zoveel volk was. Nadat dit was beslist, lieten ze rondroepen het zo te zullen doen.

14.
Toen ze zich na het ontbijt op weg begaven, deden de generaals het leger even halt houden. Ergens in een engte stelden ze enkelen in het geheim op, en iedere keer dat ze vaststelden dat iets van de voornoemde dingen niet was achtergelaten, deden ze het afnemen. De soldaten gehoorzaamden wel, maar af en toe smokkelden ze wel iets mee door.
En zo trokken ze die dag verder, terwijl ze nu eens wat streden, dan weer tot adem kwamen.

15.
Tegen de volgende dag stak er een geweldige storm op, maar ze moesten voort, want er was geen eten meer. En Cheirisophos nam de leiding van de voorhoede en Xenophon die van de achterhoede.

16.
En de vijand viel geweldig aan en omdat de streek eng was, kon de vijand dicht naderen en met de boog schieten en hen met stenen bekogelen van dichtbij zodat de Grieken gedwongen waren nu eens te achtervolgen, dan weer zich terug te trekken zodat ze slechts traag vooruitkwamen ; en herhaaldelijk verzocht Xenophon te wachten, telkens de vijand verwoed aanviel.

17.
Telkens als het hem gevraagd werd, wachtte Cheirisophos, maar die keer hield hij geen halt, maar trok integendeel snel voort en liet verzoeken hem te volgen, zodat het duidelijk was dat er iets haperde ; en het was niet mogelijk naar voren te gaan en te gaan kijken wat de reden was van die haast, zodat de tocht voor de achterhoede op een vlucht ging gelijken.

18.
En daar sneuvelde de Spartaan Cleonumos, een dapper man, door een pijl getroffen dwars door zijn schild en zijn borstharnas in zijn zijde, en de Arcadiër Basias, door een pijl dwars door zijn hoofd geschoten.

19.
Toen ze bij een kampplaats aankwamen, ging Xenophon dadelijk, zoals hij daar was, naar Cheirisophos en verweet hem dat hij niet had gewacht zodat ze gedwongen waren tegelijkertijd te vluchten en te vechten. En nu zijn twee prachtkerels gesneuveld, en we konden ze niet meenemen, noch begraven.

20.
Cheirisophos antwoordde : “Kijk”, zei hij, “naar het gebergte en zie hoe ontoegankelijk alles is ; en die weg daar, die je ziet, is de énige weg, hij is steil, en op die weg kan je heel die massa mensen zien, die de uitgang in hun bezit hebben en hem bewaken.

21.
Daarom heb ik me gehaast en daarom heb ik niet gewacht, om te zien of ik ze zou kunnen voor zijn, vooraleer ze de doortocht in handen zouden hebben ; de gidsen die wij hebben zeggen dat er geen andere weg bestaat.”

22.
Xenophon zei : “Maar ik heb hier nog twee mannen. Want omdat ze ons last bezorgden, legden we ons in een hinderlaag, iets wat ons ook toeliet op adem te komen, en we doodden enkelen van hen, en enkele anderen trachtten we levend te pakken te krijgen, juist daarom om ze te gebruiken als gidsen omdat ze de streek kennen.

23.
En dadelijk lieten ze de mannen aanbrengen, en ze ondervroegen ze afzonderlijk of ze een andere weg kenden dan de duidelijk zichtbare. De een beweerde van niet, al werden vele bedreigingen toegepast. Omdat hij niets nuttigs zei, werd hij onder de ogen van de andere doodgehouwen.

24.
De andere zei dat die man daarom beweerd had er geen te kennen, omdat hij ginds toevallig een dochter had wonen, die gehuwd was en bij haar man woonde. Zelf zei hij een weg te zullen aantonen die zelfs voor lastdieren begaanbaar was.

25.
Op de vraag of er langs de weg een gedeelte was waar men moeilijk voorbij zou kunnen, zegde hij dat er een helling was, en indien iemand de helling niet vooraf zou bezetten, zou men er niet langs kunnen trekken.

26.
Toen besloten ze dan de lochagen, zowel der peltasten als hoplieten, samen te roepen en hun de huidige toestand bekend te maken en ze dan te vragen of er onder hen niemand was die zich eens wilde voordoen als een held, die mee zou willen oprukken door zich als vrijwilliger aan te bieden.

27.
Boden zich aan bij de hoplieten : Aristonumos van Methudrion en Agasias van Stumphalos, en wedijverend met hen beweerde Callimachos uit Parrhasia te willen oprukken met een groep vrijwilligers uit gans het leger. “Want ik”, zei hij, “weet dat vele jongemannen me zullen volgen als ik de leiding neem.”

28.
Daarop vroegen ze of er ook iemand van de taxiarchen der lichtgewapenden mee zou willen optrekken. Bood zich aan : Aristeas van Ocrios, die zich voor het leger al dikwijls zeer verdienstelijk had gemaakt bij dergelijke aangelegenheden.