Sophokles
Sophokles

Tweede epeisodion

Wachter
Deze hier is het die die daad gepleegd heeft ; haar betrapten we bij het begraven. Maar waar is Creon nu ?

Koor
Die komt juist van pas terug buiten uit het huis.

Creon
Wat is er ? Met welk toeval valt mijn buitenkomen samen ?

Wachter
Heer, mensen mogen nooit zweren iets niet te zullen doen, want een latere overweging maakt de eerste opvatting tot een leugen. Wanneer ik bij hoog en laag had gezegd niet vlug meer terug naar hier te komen, was het om uw bedreigingen, waarvoor ik zeer bang was. Maar een vreugde buiten en tegen elke verwachting in, is in grootte niet te vergelijken met welke andere vreugde ook. Ik ben dus gekomen, al had ik onder eed gezworen het niet te doen, en ik breng u dit meisje, dat werd betrapt, terwijl ze de begrafenis voltrok. Ditmaal is er niet om geloot ; nee, het is helemaal mijn eigen werk, niet dat van een ander. Nu heer, neem haarzelf als u wil, ondervraag haar en doe haar bekennen. En dat ik vrij ben en verlost van al die bedreigingen, is niet meer dan juist.

Creon
Hoe en waar heb je haar betrapt die je hier brengt ?

Wachter
Zij was die man aan het begraven. U weet toch genoeg.

Creon
Besef je wel goed wat je zegt en spreek je duidelijk ?

Wachter
Ja, want ik zag haar dat lijk begraven, wat u verboden had. Spreek ik niet duidelijk en klaar ?

Creon
En hoe zag je haar en betrapte je haar op heterdaad ?

Wachter
Wel, zo zit de zaak ineen. Toen we daar teruggekomen waren, door u met al dat verschrikkelijks bedreigd, veegden we eerst al het zand weg dat op het lijk lag, we maakten het rottende lichaam goed schoon en gingen op een heuveltje zitten, uit de wind, om te voorkomen dat de geur die van hem uitging ons zou treffen. De ene man hitste de ander op met heftige bedreigingen, voor het geval iemand in zijn taak tekort zou komen – ’t was toen op het ogenblik dat in ’t midden van de hemel de schitterende zonneschijf stond en de hitte blaakte; en toen plots joeg een storm het stof op van de grond als een hemelse plaag, hij vulde de vlakte, rukte al het loof van de bomen, vulde er gans de lucht mee. Met gesloten ogen doorstonden wij deze goddelijke beproeving. Toen na lange tijd die stofwolk ophield, zagen wij het meisje ; ze jammerde luid, met schrille kreten als van een gekwelde vogel, die zijn nest van jongen beroofd, ledig vindt. Zo stond zij daar toen zij het lijk ontbloot zag. Ze barstte in jammerklachtn uit, verwenste met vreselijke vervloekingen hen die dat hadden gedaan. Dadelijk bracht ze droog stof op het lijk en uit een mooie bronzen vaas goot ze vanuit de hoogte een drievoudige krans rond het lijk. Toen we dat zagen stormden we naar haar en grepen haar snel. Ze was geenszins verschrikt. We beschuldigden haar zowel van die vroegere als van deze daad. Ze stond daar en loochende niets, wat voor mij tegelijk aangenaam en pijnlijk was, want zelf aan ’t kwaad ontsnappen doet veel plezier, maar vrienden in ellende brengen baart pijn. Maar alles bijeen, toch weegt dat niet op voor me tegen mijn eigen redding uit het kwaad.

Creon
Jij daar, jij met je hoofd naar de grond gebogen, geef je toe of loochen je dat te hebben gedaan ?

Antigone
Ik beken het te hebben gedaan en loochen het niet.

Creon
En jij daar, loop waarheen je wil, vrij en ontslagen van zware schuld.
Maar jij, zeg mij eens, niet uitvoerig, maar beknopt, wist je dat het verboden was dat te doen ?

Antigone
Dat wist ik ; hoe zou het ook niet ? Het was toch overal bekend ?

Creon
En toch had jij de moed om deze wetten te overtreden?

Antigone
Ja, want niet Zeus heeft mij dit bevolen, en ook Dice die beneden bij de goden woont, heeft aan de mensen niet zulke wetten voorgeschreven. En ik meende dat jouw verordeningen niet diè kracht bezaten dat jij de ongeschreven en onwankelbare wetten van de goden zo maar kan opzij schuiven, jij die toch maar een mens bent. Want die wetten bestaan niet van vandaag of gisteren, maar hebben altijd bestaan, en niemand weet sinds wanneer ze zijn ontstaan. Daarom was ik niet zinnens voor de rechtbank van de goden gestraft te worden, ik die het oordeel van géén man vrees. Want dat ik sterven zal wist ik – en waarom niet – ook zonder dat jij me dat moest voorhouden. En als ik vóór mijn normale tijd zal sterven, beschouw ik dat als winst. Al wie zoals ik in zoveel ellende leeft, hou zou die de dood geen winst noemen ? Zo is het voor mij geen lijden dit lot te moeten ondergaan, maar indien ik had geduld dat het lijk van mijn bloedeigen broer na zijn dood onbegraven zou blijven, zou ik daardoor zeer geleden hebben ; door wat nu is, lijd ik niet. Indien ik nu misschien dwaze dingen lijk te doen in jouw ogen, dan kan het best dat ik door een dwaze dwaas wordt genoemd.