Sophokles
Sophokles

Eerste epeisodion

We kennen nu Antigone’s standpunt. Het koor is aanwezig. Dan horen we een troonrede van Creon. Creon is onverwacht koning geworden, onvoorbereid op het koningschap, verrast door het gebeuren. In de troonrede zitten drie ideeën : ik ben koning, dus heb ik gelijk, wat de anderen ook denken en doen. Creon heeft een tyranniek karakter, hij wil niet dialogeren. Er is al een zekere achterdocht dat men het niet eens is met hem. Er is ook al een eerste schuchtere reactie van het volk, verwoord door de Koryphaios, die aarzelend instemt.

Dan volgt een gesprek met een fylax, een wachter, waardoor we Creons standpunt nog beter leren kennen.

Wachter

Vorst, ik zal niet beweren dat ik buiten adem, door het snelle lopen hierheen kom, met lichte tred. Want ik had onderweg, door zorgen gekweld, heel wat oponthoud, en ik wendde me dikwijls om om terug te keren; want mijn ziel sprak voortdurend tegen me, zeggende: “Sukkelaar, waarom ga je daarheen, waar een straf je wacht ? Onnozelaar, blijf je weeral staan ? En ook als Creon het van iemand anders zal vernemen, hoe toch ga jij het ongeluk ontlopen ?” Door zulke bedenkingen vorderde ik maar traag, ik had geen haast, en zo werd een korte afstand een lange tocht. Maar tenslotte dan toch besloot ik hierheen, naar jou te komen, en al zal ik niet zoveel belangrijks zeggen, ‘k zal toch maar spreken ; want ik kwam, gedragen door de hoop, dat mij toch niets kan overkomen dan wat het lot me heeft bepaald.

Creon

Wat is er, dat je zo beangstigt ?

Wachter

Eerst wil ik over mezelf praten, want die daad heb ik niet gesteld, noch weet ik wie ’t deed en ’t zou dus niet rechtvaardig zijn, als ik erdoor in ’t onheil kwam.

Creon

Je veegt je pad goed schoon en draait flink rond de pot, ’t is klaar dat jij wat te vertellen hebt.

Wachter

Het erge (wat ik te zeggen heb) zal jou ten zeerste ontstemmen.

Creon

Ga je nu eindelijk spreken ? En daarna maken dat je wegkomt !

Wachter

Wel, ik spreek al : dat lijk, men is het pas komen begraven, op het lichaam werd droog zand gestrooid, en de gepaste riten werden voltrokken.

Creon

Wat zeg je, welke man is zo vermetel geweest ?

Wachter

Dat weet ik niet ; er was daar geen spoor van een bijlslag of een spadesteek ; hard was de grond, en droog, niet gescheurd, noch stukgereden door wagenwielen, nee, de dader liet geen sporen na. Zodra de eerste dagwaker het ons toonde, waren we allen pijnlijk verrast. Want het lijk was onzichtbaar gemaakt, wel niet begraven, nee, er lag een dun laagje zand op, alsof iemand de bezoedeling had willen ontlopen. Er was geen aanduiding van een wild dier of een loslopende hond, die daar zou hebben gedabd. We slingerden mekaar boze woorden naar het hoofd, de ene waker beschuldigde de andere, en ’t zou zijn uitgelopen op een vechtpartij, en niemand was er om dat te beletten. Eén immers was de dader, maar wie ? Elk kon het zijn, maar van niemand was het duidelijk. Ieder beweerde er niets van te weten. We waren bereid gloeiend ijzer in onze handen te nemen, en door een vuur te kruipen, en te zweren bij de goden dat we het niet hadden gedaan en niet medeplichtig waren met wie dat zaakje had beraamd of uitgevoerd. Tenslotte, toen al ons speuren niets opbracht, zei iemand wat dat ons allen van schrik het hoofd naar de grond deed buigen, want we konden er niets tegen inbrengen, we wisten evenmin op welke wijze we ons uit de slag zouden trekken. Zijn voorstel was dat het aan u moest worden gemeld en niet mocht worden geheimgehouden. Dit voorstel haalde het, en mij ongelukkige koos het lot uit om dat buitenkansje mee te pikken. Hier ben ik dan met tegenzin bij iemand die het ook niet graag zal horen, dat besef ik wel. Want niemand ziet graag een bode komen met een slechte tijding.

Hier eindigt de uiteenzetting van de wachter. Hierop reageren het koor en Creon. De wachter gebruikt heel veel woorden om weinig te zeggen. Op een naïeve manier vertelt hij dat het lijk bedekt is, en de dader onbekend. En dat hij even onschuldig is als de anderen. Er is geen enkel spoor. De wachters begrepen hun verantwoordelijkheid : ze vochten bijna.

Nu leren we Creon kennen. Dit wordt uitgelokt door een schuchter woord van de koryphaios.

Koryphaios

Heer, als u het mij vraagt, mijn geest overweegt al een hele tijd of er misschien niet iets goddelijks in deze daad steekt.

Creon

Hou op, eer je met je woorden me doet barsten van woede, of dat je niet tegelijk oud en dwaas wordt bevonden. Je raaskalt als je beweert dat de goden zich bemoeien met dit lijk. Zouden ze misschien vol eerbied, als voor een weldoener, hem hebben begraven, hij die kwam om de tempels met mooie zuilengangen in brand te steken en de wijgeschenken en hun land en de wetten te vernietigen ? Zie jij de goden de bozen al eren ? Dat nooit ! Maar ja, de mannen in de stad, die dat kwalijk verdragen, morren reeds geruime tijd tegen mij, stiekem schudden ze de kop, en ze houden niet, zoals ’t past, de nek onder het juk om zich naar mijn beleid te schikken. Ik ben er vast van overtuigd dat de wachters, door hen met geld omgekocht, dit hebben uitgevoerd. Want er is bij de mensen geen instelling die schadelijker is dan het geld, want dat heeft hele steden verwoest en verdrijft mensen uit hun huizen. Het onderricht en leert zelfs de brave mensen hoe zich tot slechte zaken te keren. Het toont aan de mensen hoe ze kunnen verkeerd handelen en hoe ze uit elke daad het kwaad kunnen gebruiken. Zij die om geld dit hebben uitgevoerd, hebben het uiteindelijk zo ver gebracht, dat ze gestraft zullen worden ; maar zowaar Zeus door mij nog wordt geëerd, knoop dit goed in je oren, ik zeg het je bij eed. Indien je de dader van deze begrafenis niet vindt en onder mijn ogen brengt, dan zal de dood alleen niet volstaan, eerst zullen jullie levend opgehangen jullie verwatenheid tentoon stellen opdat je, als je later nog wat meepikken wil, je zou weten waar je winst uit kan slaan, en opdat je zou leren dat je niet uit alles munt moet trachten te slaan. Want men ziet heel wat meer mensen door verdachte winstjes ten onder gaan dan hun heil vinden.

Wachter

Laat u me nog wat zeggen of moet ik omkeren en zo maar gaan ?

Creon

Ach, begrijp je niet dat je gepraat me nu al de keel uithangt ?

Wachter

Wordt u erdoor gekweld in uw oren of in uw ziel ?

Creon

Wat heb jij te maken met de plaats van mijn lijden ?

Wachter

De dader griefde u in uw hart, ik slechts in uw oren.

Creon

Ach, wat een geboren babbelkous ben jij !

Wachter

Goed, maar toch niet hij die het zaakje heeft gedaan.

Creon

Toch wel, om geld heb jij je ziel verkocht.

Wachter

Foei ! Hoe vreselijk dat voor wie oordelen moet een leugen waarheid schijnt !

Creon

Speel jij maar met het woordje “schijn”. Indien je de daders van dit alles niet voor mij brengt, zal je wel moeten toegeven dat vuige winsten oorzaak zijn van ellende.

Wachter

Wel, dat hij maar vlug gevonden wordt ! En of hij gevonden wordt of niet, daarover zal het lot beslissen, maar ’t staat vast dat u me hier niet zult zien terugkomen. Nu ik immers buiten alle hoop en verwachting in gered ben, moet ik de goden wel veel dank betuigen.

Dit is een lange monoloog van Creon, die weer niets zegt.
– Hij vaart uit tegen de koryphaios die heel schuchter verwezen heeft naar een goddelijke tussenkomst. Creon is heel autoritair en betweterig.
– Er wordt tegen hem gecomplotteerd. De begrafenis is met het geld der ontevredenen uitgevoerd. Creon draaft wat door op de slechte rol die het geld speelt.
– Bedreiging van de daders in een lange zin die gericht is tot de wachter en de andere leden van het complot.

Deze tekst is typerend voor het karakter van Creon. Hij heeft niet de autoriteit die hij meent te hebben. Hij zegt teveel. Een werkelijk gezagsvol persoon is niet zo mededeelzaam, zeker als die mededelingen op niets berusten. De uiteindelijke dreiging is dan ook niet gezagvol meer. Ze komt te laat, en is te lang.
Creon is erg zelfingenomen, en lijdt aan een soort vervolgingswaanzin. Hij is amper aan de macht, en hoort al gemor. Hij praat zichzelf de oren vol. Hij wil zichzelf overtuigen. En de wachter staat er nog omdat hij nog niet mag weggaan. Hij heeft met de zaak niets meer te maken.

In deze tekst moesten we eigenlijk Creons motieven, zijn standpunt leren kennen. Maar in tegenstelling tot Antigone, die wel concrete motieven voor haar handelen heeft (goden dienen, broederliefde, eeuwig leven), heeft Creon eigenlijk geen motief. Hij heeft het gezegd. Het is dus zo.

Eerste stasimon.

De eerste drie strofen bezingen de mens die gans de natuur onderworpen heeft, en die ook meester is van cultuurgoederen : ideeën, woorden, beschuttingen. Slechts de dood is nog sterker.

De vierde strofe leert ons dat, op het morele vlak – goed en kwaad – de mens zichzelf nog niet onderworpen heeft. De mens is meester over alles, behalve zichzelf.