Sophokles, Antigone

Sophokles in himation
Sophokles in himation

Sophokles

Een man van Attica, geboren rond 495 v.Chr. nabij Athene (het drama is eerder Attisch, de lyriek eerder Dorisch). Hij is gestorven rond 406, dus zowat 90 jaar oud.

Hij was een schrijver van toneelwerken (100 à 120). 7 stukken zijn volledig bewaard. Drie daarvan behoren tot de Thebaanse sagenkring : Oidipoes koning, Antigone, Oidipoes in Kolonos. Drie andere behoren tot de Trojaanse sagenkring : Ajax, Elekra, Philoktetes. Eén komt uit de sagenkring rond Herakles : De Trachinische Vrouwen.

Ontstaan van het Griekse treurspel

Waarschijnlijk is het treurspel ontstaan bij het Dionysusfeest. Er werd een optocht gehouden met gezang, de deelnemers waren verkleed als gezellen van Dionysus: saters, met bokkenkledij (“tragos” + “ooidei” geeft “tragedie”).

Eerst was er een ernstige zang, de dithyrambe: een plechtige, zeer verheven lyrische beurtzang tussen twee koren.

Hier kwam een koorleider bij, de exarchoon, een “gewoon” mens die een gedramatiseerde dialoog voerde met het koor. Later voegt zich hierbij een “antwoorder” (“hypokritès”), zodat nu een duo het gedramatiseerde deel voor zijn rekening neemt: kleine dramatische intermezzi in een overwegend lyrisch gezang.

De dramatische inbreng krijgt dezelfde lengte als de lyrische bij Aeschylus (530-456 voor Chr.), die een tweede toneelspeler bij de hypokritès voegde. De dramatische spankracht verhoogt, maar dramatische en lyrische delen zijn niet streng gescheiden. Aeschylus behoorde tot een generatie die nog eerbied had voor het goddelijke. Bij hem vinden we blinde gehoorzaamheid aan het fatum, dat niet enkel de schuldigen, maar ook de afstammelingen treft.

Dramatiek wordt het voornaamste. Het koor wordt in goed afgelijnde gedeelten toeschouwer en passieve getuige. De koorleider komt soms tussen. Sophokles (495-405) voert een derde speler in. Het koor wordt uitgebreid van twaalf naar twee groepen van zeven en de koorleider (“koryphaios”). Voor Sophokles speelt het fatum nog een zeer grote rol, maar het wordt als het ware door de vrije wil van de betrokkenen op henzelf neergehaald. De toon is licht verwijtend tegenover het fatum.

Euripides wijzigde nog maar weinig aan de vorm. Het koor is nog louter sfeerscheppend, zonder invloed. De geest van de stukken is sterk geëvolueerd. Voor Euripides zijn de goden fabelfiguren, geen machtige heersers meer, maar enkel sierstukken. De mens zèlf is drijfveer. Het fatum is uitgeschakeld.

De zin van het drama

De spelen willen een kijk geven op de mens, en een kans op bezinning. De vertelde verhalen waren al lang bekend. Het toneel is moraliserend: wat zijn wij, wie zijn wij, wat doen we (toch)? Het toneel had in die zin een zeer hoge waarde, en werd met een eigen ritueel omkleed.

Voor Aeschylus houden de vragen verband met een spel van de goden met de mensen. Voor Euripides gaat het om de verhouding van mens tot mens, of tot zichzelf. Aeschylus is een pessimist, Sophokles een realist, Euripides een rationalist.

Bij Aeschylus dwingt de “moira” de mens tot verkeerde daden. Ze slaat de mens met “hybris” (hoogmoed, waanzin, verblinding), die ze dan wreekt door de mens te verpletteren: lichamelijk (dood) of geestelijk (totale vernedering). Ook de onschuldige nakomelingen worden met dezelfde wraak achtervolgd. De mens wordt tot kwaad gedwongen en dan gestraft (pessimisme!).

Bij Sophokles past de mens de wraak van de goden zelf toe: hij mag en kan kiezen, maar hij wordt door de moira verblind, kiest het verkeerde, en gaat naar zijn ondergang.

Bij Euripides is de mens in conflict met zijn hartstochten, en hij vernietigt zichzelf en de anderen. Euripides geeft geen verklaring voor de oorsprong van dit kwaad.

Het Griekse theater zoekt een zin voor het zijn, tussen fatalistische berusting enerzijds, en de loutering van het kwaad (katharsis) anderzijds.

Advertenties