Crito

Socrates: Waarom ben je al zo vroeg gekomen, Crito? Of is het al niet vroeg meer?
Crito: Toch wel!
S. Hoe laat is het juist?
C. Nog heel vroeg in de ochtend.
S. Het verwondert me dat de gevangenisbewaker voor je heeft willen opendoen.
C. Ach Socrates, die man kent mij al omdat ik herhaaldelijk hierheen ben gekomen, en bovendien heb ik hem wat in de handen gestopt.
S. Ben je zoëven gekomen, of al een tijdje geleden?
C. Al een poos.
S. Maar waarom heb je me dan niet dadelijk wakker gemaakt, en ben je stil bij me blijven zitten?
C. Bij Zeus, Socrates, zelf zou ik evenmin slapeloos willen blijven in een zo pijnlijke situatie, maar toch bewonder ik je als ik je zo rustig zie slapen; en met opzet heb ik je niet gewekt opdat je zo aangenaam mogelijk je laatste uren zou kunnen doorbrengen. Ook vroeger heb ik je meermaals heel je leven lang gelukkig geacht om je levenswijze, maar nu doe ik dat nog veel meer, bij het onheil dat je wacht, hoe gemakkelijk en gelaten je dat draagt.
S. Ach Crito, het zou toch al te gek zijn op mijn leeftijd me nog dik te maken omdat ik al sterven moet.
C. Ja, Socrates, er zijn nog andere mensen van die leeftijd in dezelfde netelige situatie terechtgekomen, maar hen belette hun ouderdom absoluut niet zich te ergeren om het lot dat hen trof.
S. Laat zijn, maar waarom ben je nu eigenlijk zo vroeg gekomen?
C. Socrates, ik breng je een pijnlijke en lastige boodschap, niet voor jou, me dunkt, maar voor mij en al jouw vrienden is ze pijnlijk en lastig, en naar het me voorkomt zal ik er wel het zwaarst door getroffen worden.
S. Wat voor een boodschap? Is misschien uit Delos het schip aangekomen na aankomst waarvan ik sterven moet?
C. Nee, aangekomen is het nog niet, maar me dunkt dat het toch vandaag nog komen zal, volgens wat enkele mensen zeggen die uit Sunion zijn gekomen en daar het schip hebben verlaten. Het is dus klaar uit wat zij melden dat het vandaag nog komen zal, en Socrates, je zult dus vóór morgenvroeg moeten sterven.
S. Maar Crito, in godsnaam, indien het zo de goden behaagt, het weze zo. Toch meen ik dat het vandaag niet zal aankomen.
C. Waaruit leid je dat af?
S. Ik zal het je zeggen: ik moet dus sterven, nietwaar, op de dag volgend op die van de komst van het schip.
C. Zo zeggen toch de ter zake bevoegden.
S. Toch meen ik dat het niet in de loop van deze dag zal aankomen, maar wel morgen. Dat leid ik af uit een droom die ik pas geleden, nog deze nacht heb gehad, en het scheelde niet veel of je had me op een ongunstig ogenblik gewekt.
C. En wat was dat voor een droom?
S. Ik zag een vrouw naar me toekomen, mooi en bevallig, in witte klederen gehuld, me aanspreken en zeggen: “Socrates, overmorgen zal je in het vetkluitige Phtia aankomen.”
C. Wat een rare droom, Socrates!
S. Hij is, me dunkt, toch wel zeer duidelijk, Crito.
C. Maar al te duidelijk, me dunkt. Maar, mijn waarde Socrates, luister ook nu nog naar me en laat je redden. Want als jij de dood ingaat, zal dat voor mij niet beperkt blijven tot één ramp: inderdaad, behalve beroofd te zijn van een dusdanige vriend als ik er nooit nog een vinden zal, zullen velen die mij en jou niet door en door kennen, menen dat ik, hoewel in staat je te redden mits mijn rijkdom ervoor te besteden, dit niet heb willen doen. Want bestaat er een schandelijker reputatie dan deze, nl. de naam te hebben zijn geld boven zijn vrienden te kiezen. Want de massa zal niet willen geloven dat jijzelf niet van hier wilde weggaan, ondanks al ons aandringen.
S. Maar mijn beste Crito, waarom maken we ons zoveel zorgen om wat de massa denkt? Want de elite, die onze aandacht meer verdient, zal wel aannemen dat het zo is gebeurd, zoals het zal gebeuren.
C. Maar Socrates, je ziet toch wel in dat het nodig is ook met de opinie van de massa rekening te houden. Wat hier nu aan de hand is, is toch duidelijk bewijs dat die massa bekwaam is, niet zomaar wat onbenullig kwaad te berokkenen, maar om zo te zeggen, het allergrootste, wanneer men bij hen op een slecht blaadje staat.
S. Ach Crito, was het maar waar dat die massa in staat is het grootste kwaad te doen, opdat ze ook bekwaam zou zijn het grootste goed te doen, en dan zou alles prachtig lopen; maar nu is ze tot geen van beide in staat. Ze is niet bekwaam om verstandig of onverstandig te handelen. Ze handelt maar op goed valle het uit.
Beste Crito, die ijver van je zou veel waarde hebben als hij gepaard gaat met een juiste gerichtheid, zoniet zal hij je des te moeilijker zijn, naarmate hij groter is. Wij moeten dus nagaan of wij dat moeten uitvoeren of niet; want niet alleen nu, maar ook altijd ben ik zo dat ik geen enkel ander van mijn vermogens involg dan het beginsel dat mij bij redenering het beste lijkt.
De beginselen die ik vroeger voorhield, kan ik nu niet overboord gooien, nu het lot mij heeft getroffen, maar ze schijnen me haast ongewijzigd en ik huldig en eer ze evenzeer vandaag als vroeger. Indien we er geen betere dan deze kunnen inbrengen in de huidige situatie, weet dan goed dat ik niet met je zal instemmen, zelfs niet al zou de macht van de massa ons meer nog dan ze het nu al doet, willen schrik aanjagen zoals aan kinderen, door ons te bedreigen met gevangenis en dood en inbeslagname van mijn bezit.
Hoe zouden we dat nu op de meest geschikte wijze kunnen onderzoeken? We zouden eerst dat gezegde van je over de opinies weer kunnen opnemen of het altijd juist is te zeggen of niet dat men aan sommige meningen aandacht moet schenken, en aan andere niet.
Of was het vroeger juist te beweren dat ik moest sterven terwijl het nu zonneklaar is geworden dat dat zomaar werd gezegd, dat het allemaal larie en apekool was?
Ik verlang samen met jou, Crito, te onderzoeken of dit gezegde, nu ik in deze toestand ben verzeild, hoe ook gewijzigd is, of hetzelfde gebleven voor mij, en dit ten gevolge zullen we het laten varen of navolgen. Me dunkt dat er door mensen die menen wat te vertellen te hebben telkens ongeveer gesproken wordt zoals ik het nu doe, namelijk dat men van de meningen die de mensen erop nahouden, slechts een deel moet waarderen, de andere niet.
Bij de goden, Crito, lijkt dat gezegde jou niet juist? Want als alles normaal verloopt bestaat er geen gevaar dat jij morgen zal sterven, en het onheil dat mij treft kan jou dus niet van de kook brengen. Onderzoek dus, komt het je niet gepast voor te beweren dat men niet alle opvattingen van de mensen moet hoogachten, maar sommige wel, en andere niet, en niet die van alle mensen, maar van de enen wel en de anderen niet. Wat zeg je daarvan? Lijkt dat geen goede bewering?
C. Jazeker.