Odilon Redon (1840-1916) Le Cyclope

Odyssee IX, 170-197

Zo gauw de vroeggeboren rozevingerige dageraad in de lucht kwam, verzamelde ik mijn gezellen en sprak hen allen toe: “Blijf allen hier, mijn trouwe vrienden; ik daarentegen zal met mijn schip en enkele gezellen gaan onderzoeken watvoor mannen daar wonen, of het brutale wilden zijn, die geen recht kennen, ofwel gastvrije en godvrezende van aard.” Na die woorden besteeg ik het schip en gaf aan mijn mannen het bevel aan boord te gaan en de meertouwen los te gooien. Ze deden dat dadelijk, namen plaats bij de riemen, op een rij achter elkaar gezeten, en ze geselden met hun riemen de witschuimende zee. Toen we vlakbij de kust genaderd waren zagen we op het uiterste daarvan een spelonk op de rand van de zee. Ze was hoog en overschaduwd door laurierbomen. Binnen was er vee, schapen en geiten, gestald. Errond was een hoge omheining gebouwd van diep in de grond gedreven rotsblokken, hoge sparren en breedgetakte eiken. Dat was de woonst van een reus, die gewoon was zijn kudden te weiden, eenzaam en afgezonderd: hij kwam nooit onder andere mensen maar leefde als een eenzaat en kende wet noch recht. Hij was immers een verbazend gedrocht, niet gelijk aan een gewoon mens, maar als een bosrijke top van een hoog gebergte, stak hij alleen ver van de anderen uit. Toen gaf ik aan mijn trouwe gezellen het bevel daar bij het schip te blijven en het te bewaken, terwijl ikzelf twaalf van de beste makkers uitkoos om met me mee te gaan. Ik nam een geitenleren zak mee, vol heerlijke donkerrode wijn, een geschenk van Maroon, de zoon van Euanthes.

IX, 216- 243

We kwamen spoedig bij de grot, maar vonden de bewoner niet binnen: hij weidde immers zijn kudde op de welige grasvelden. Naar binnen getreden gaapten we met verbazing aan al wat daar lag: rekken, uitpuilend van kazen, hokken vol lammetjes en bokjes, alle afzonderlijk opgesloten – hier de voorjaarsdieren, daar de zomerlammetjes, ginds de herfstdiertjes. Alle vaten stonden boordevol wei; ook de melkemmers en de kommen – mooi gevormd – waarin hij placht te melken. Toen smeekten mijn makkers me dringend terug te keren met enkele kazen als buit en ook metterhaast wat bokjes en lammetjes uit de hokken te drijven naar ons snel schip, en weg te varen over het zoute water. Maar ik luisterde niet naar hen, al zou dat veel beter geweest zijn. Ik wilde eerst de man ontmoeten en zien of hij me gastgeschenken zou geven, maar bij zijn verschijnen bleek hij voor mijn makkers niet vriendelijk te wezen. We staken dus een vuur aan, offerden en aten zelf ook wat van de kaas die we hadden genomen. Daarna bleven we binnen zitten wachten op hem, tot zijn terugkeer uit de weide. Hij droeg een zware last droog hout om zijn maal te bereiden. Met een smak wierp hij dat hout in een hoek van de grot, ontsteld kropen we weg in het diepste van het hol. Toen tilde hij hoog een kanjer van een rots en plaatste die voor de deur. Geen 22 stevige vierwielige wagens hadden dat blok uit de grond kunnen lichten, zo groot was de steen die hij voor de ingang plaatste.

IX, 250-271

Toen verrichtte hij haastig zijn dagelijkse bezigheden. Hij stak een vuur aan, ontdekte ons en vroeg ons: “Zeg vreemden, wie zijn jullie? Vanwaar kom je gevaren op je zeereis? Is het om wat te verkopen of dwaal je doelloos rond als kapers over de zee, met levensgevaar de zee doorkruisend tot onheil van vreemdelingen?” Zo sprak hij en ons hart kromp ineen van schrik, zo dreunde zijn stem en zo enorm was hijzelf. Toch vond ik de woorden om hem te antwoorden: “Grieken zijn we, op thuisvaart vanuit Troje, door vijandige winden her en der geslingerd over de diepten van de grote zee. We verlangen naar huis, maar langs een verkeerde weg en verdwaald zijn we hier aangeland. Zo heeft Zeus het voor ons willen beslissen. We zijn fier te behoren tot het volk van Agamemnoon, de zoon van Atreus, die nu de grootste roem onder de hemel geniet. Want een grote stad heeft hij met de grond gelijkgemaakt en vele volken in de pan gehakt. Toch vallen we u, nu we hier zijn beland, ootmoedig te voet in de hoop dat je ons gastvrijheid verleent of ons een ander geschenk gunt, zoals het voor gasten gebruik is. Kom, beste vriend, heb eerbied voor de goden, we smeken er u om. Zeus is de schutsheer van smekelingen en vreemden, god der gastvrijheid staat hij aan de zijde van eerbare gasten.