De Ilias en de Odyssea zijn twee dichtwerken (epen) die handelen over bepaalde delen van de Trojaanse sagenkring. Deze omvat de geschiedenis van een Grieks-Trojaanse oorlog en de voor- en nageschiedenis. Het mogelijk historisch feit groeide uit tot aangedikte legende, en de verhalen die ontstonden verloren steeds meer van hun historische waarde.

De Ilias en de Odyssea tellen beide 15 000 verzen (24 zangen) en behandelen een episode tijdens de oorlog (Ilias, de wrok van Achilles) of na de oorlog (Odyssea, de geschiedenis van de avonturen van Odysseus tijdens zijn tienjarige terugreis). Rond die hoofdlijn vinden we vele andere gebeurtenissen, die de werken zo levendig en zo menselijk maken.

Beide werken zijn geschreven in ongeveer dezelfde taal, bestaande uit vermenging van verschillende dialecten en overblijfselen uit verschillende ontwikkelingsfazen. Dit wijst erop dat deze werken niet van één auteur kunnen komen, zoals men in de Oudheid beweerde en tot 1800 aannam.

De auteur, Homeros, was volgens de Griekse overlevering een rondtrekkende blinde ziener/zanger (aoide), die zou geleefd hebben in het Egeïsch eilandenrijk en Noord-Klein Azië rond 800 voor Chr. Reeds voor Chr. twijfelde men aan zijn auteurschap. Vanaf 1800 werd de twijfel algemener.

Men neemt aan dat hetgeen wij bezitten een verzamelwerk is van losse liederen, zowel episch als lyrisch, verschillend van tijd en plaats, en op een bepaald ogenblik in een eindredactie ineengevlochten. De oudste liederen dateren van 1500 voor Chr., en de jongste van 800 voor Chr. Is deze eindredactie van Homeros? Mogelijk, maar niet bewezen. Sommigen zeggen dat een groep mensen deze eindredactie maakte. Zo weten we dat rond 600 Peisistrates een college oprichtte om de tekst van de Ilias te epureren. Dan gaan er nog een 1500 jaar voorbij, voor we een volledig handschrift hebben.


De Achaeërs verdeeld.

Aanhef.

Hier vinden we de hoofdlijn uit de Ilias: het onderwerp wordt aangeduid, de oorzaken en gevolgen ervan, wie de hoofdrol speelt. Ook is er een aanroeping van de muze.

Bezing, godin, de wrok van Peleus’ zoon Achilles;
de rampzalige wrok, die de Grieken duizenden rampen bracht,
die vele zielen van dappere helden naar Hades zond,
en hun lichamen tot prooi maakte voor de honden
en voor de gieren tot aas. De wil van Zeus voltrok zich zo.
Dat alles begon toen, na een twist
de zoon van Atreus, de leider van het volk, en de goddelijke Achilles uit mekaar gingen.

De pijlen van Apollo.

Er ontstaat ruzie tussen Agamemnoon en Achilles. Achilles kreeg Briseïs, Agamemnoon kreeg Chryseïs, dochter van Chryses, priester te chryse voor Apollo. Chryses gaat zijn dochter terugkopen, maar wordt door Agamemnoon smadelijk weggezonden. Hij bidt tot Apollo om wraak, die geschiedt. Er breekt pest uit, die de Grieken radeloos maakt. Chryseïs moet worden teruggezonden, en Agamemnoon eist Briseïs op. Vandaar de onenigheid tussen de twee Griekse vorsten.

Welke god bracht hen ertoe te twisten en elkaar te bekampen?
Leto’s en Zeus’ zoon. Want deze, vertoornd op de koning,
zond een kwalijke ziekte over het kamp, heel wat mannen stierven erdoor,
omdat Atreus’ zoon zijn priester Chryses had beledigd.
Want deze kwam naar de snelle schepen der Grieken
om zijn dochter vrij te kopen, in ruil voor een fabelachtige losprijs,
hij droeg bovenop een gouden skepter in zijn handen
de hoofdbanden van de altijd raakschietende Apollo.
Hij smeekte tot de verzamelde Grieken, maar vooral tot beide zonen van Atreus:
“Zonen van Atreus en andere Grieken met je mooie scheenplaten,
mogen de goden die hun woonst op de Olympus hebben,
je toestaan de stad van Priamos te verdelgen, en behouden weer naar huis te keren.
Laat mijn kind vrij en aanvaard deze losprijs;
zo eert ge de zoon van Zeus, de raakschietende Apollo.”
Daarop stemden alle andere Grieken ermee in die priester met eerbied te ontvangen,
en die schitterende losprijs in ontvangst te nemen,
maar dat was niet naar de zin van Agamemnoon, de zoon van Atreus,
en deze zond hem kwaad weg en snauwde hem toe:
“Ouwe, zorg er voor dat ik je hier bij de holle schepen niet meer ontmoet,
’t zij je nu blijft rondhangen, ’t zij je later nog eens terugkeert;
die skepter en die hoofdband van je god zouden je dan niet meer helpen.
Haar vrijlaten zal ik nooit; eerder zal de oude dag haar besluipen
in mijn huis in Argos, ver van haar vaderstad,
terwijl ze het weefgetouw bedient, en mijn bed nadert.
Weg nu! Terg me niet, als je hier heelhuids vandaan wilt komen!”

De geschiedenis start met weinig woorden, snel en koel, louter verhalend, zonder sporen van sentiment. De schrijver geeft een koud relaas, geen spoor van geheimzinnigheid. Wie is de oorzaak ? Diè ! Dat de pest hopen slachtoffers maakt wordt voorgesteld als een fait-divers.

Dan komt een close-up. Er begint een gesprek (aanspreking, captatio benevolentiae, verzoek). Hoe zet Chryses zijn verzoek kracht bij ? Door een bedekte bedreiging, omdat hij zelf minder machtig is, hij kan persoonlijk niets doen, daarom gebruikt hij de goden.

De reactie van de Grieken is instemmend, want ze hebben niets te verliezen. Maar Agamemnoon wil niets in de plaats geven. Hij is tè hard, bars en nijdig. Hij begrijpt de vader niet, en snauwt hem dadelijk af, alsof hij Agamemnoon had beledigd. Hij pijnigt de oude man, en laat hem geen kans meer, hij zendt hem kwaad weg. Agamemnoon beledigt zo ook de god.

Na die woorden kreeg de oude man schrik en hij gehoorzaamde aan het bevel,
zwijgend ging hij naar het strand van de luidbruisende zee.
In de verte verdwijnend, bad de oude man vurig
tot zijn heer Apollo, die de zoon was van Leto met de mooie haren:
“Aanhoor me, god met de zilveren boog, die Chryse beschermt,
en het hoogheilig Killa, en machtig heerst over Tenedos,
jij rattenverdelger, indien ik voor je ooit een welgevallige tempel heb gebouwd,
of indien ik voor je ooit vet schenkelvlees van stieren en geiten heb verbrand,
vervul jij dan op jouw beurt voor mij deze wens:
dat de Grieken mijn tranen uitboeten door jouw pijlen.”
Zo klonk zijn gebed, en Phoebos Apollo verhoorde hem,
hij daalde van de Olympustoppen met woede in zijn hart,
op zijn schouders droeg hij een boog en een goed gesloten pijlenkoker.
De pijlen rinkelden tegen de schouders van de woedende god
terwijl hij voortging; hij kwam, aan de nacht gelijk.
Toen ging hij zitten, ver van de schepen, en schoot er een pijl middenin,
vreselijk was de klank die opsteeg uit de zilveren boog.
Eerst schoot hij op de muilezels en op de schielijke honden,
daarna schoot hij op henzelf een scherpe pijl,
raak! Alom laaiden talloze stapels met lijken.

Bijna een beeld uit een film: de man vertrekt als een kleine stip, en wordt dan opnieuw dichterbij gebracht. Opnieuw wordt een vraag gericht tot Apollo. Het gebed is een soort van ruilhandel (do ut des): hij heeft een tempel gebouwd, hij verwacht van Apollo een tegenprestatie.

Dadelijk daarop reageert Apollo, zonder nadenken. De reactie is koud en koel, maar het verhaal is wel suggestief. We worden gegrepen door de sfeer.

Het orakel.

Negen dagen lang kwamen de pijlen van de god over het kamp neer,
op de tiende dag riep Achilles het volk in en vergadering bijeen,
want dit had hem de blankarmige Hera op het hart gedrukt,
want ze maakte zich zorgen om de Grieken die ze zomaar moest zien sterven.
Zij kwamen toen bijeen en vormden een vergadering,
in hun midden stond de snelvoetige Achilles op en sprak:
“Zoon van Atreus, ik meen dat we nu ver van ons doel zijn afgebracht
en zo snel mogelijk van hier moeten weggaan, als we tenminste aan de dood kunnen ontsnappen,
daar toch oorlog en pest samen de Grieken teisteren.
Maar kom, laten we een ziener raadplegen, of een priester,
of een droomverklaarder (want ook de droom komt van Zeus)
die ons zou kunnen zeggen waarom Phoibos Apolloon zo kwaad is.
Is hij misschien ontstemd over het uitblijven van een gelofte of een offer,
en wil hij misschien weer de vetwalm van schapen en gave geiten
opsnuiven om de pest van ons af te weren?
Nadat hij zo had gesproken ging hij weer zitten; en midden onder hen
stond Kalchas op, de zoon van Thestor, veruit de knapste vogelwichelaar,
hij kende het heden, de toekomst en het verleden,
hij had ook de schepen der Grieken tot in Ilion gebracht,
dank zij zijn zienerskunst, hem geschonken door Phoibos Apolloon,
welwillend nam hij het woord en sprak:
“Achilles, vriend van Zeus, je verzoekt de wrok
te verklaren van Apolloon, de raakschietende heer.
Welnu, ik zal het je zeggen, jij moet luisteren en me zweren
me gewillig met woord en daad bij te staan.
Want ik meen dat er een man kwaad zal worden,
die machtig heerst over alle Argeeërs,
en aan wie de Grieken gehoorzamen.
Ook al zal hij op dat ogenblik zijn woede verbijten,
dan zal hij toch later wrok blijven koesteren in zijn hart, tot hij voldoening vindt.
Vooruit dus, beloof of je me helpen zult.”
Hem antwoordde de snelvoetige Achilles met de volgende woorden:
“Wees niet bang en laat horen welke godsspraak je kent.
Bij Apollo, de vriend van Zeus, tot wie jij bidt, Kalchas,
om de godsspraken voor de Grieken te kunnen verklaren
zolang ik leef en hier op aarde rondschouw
geen enkele Griek zal bij de holle schepen een vinger naar je uitsteken
zelfs niet al noemde je Agamemnoon,
die er nu prat op gaat veruit de dapperste Griek te zijn.”
Toen vatte de onberispelijke ziener moed en sprak:
“Nee, niet om een gelofte of een offer is hij ontstemd,
maar omwille van zijn priester, die Agamemnoon heeft beledigd
toen hij zijn dochter niet wou vrijlaten en de losprijs aanvaarden
daarom heeft de raakschietende dit lijden overgezonden en zal hij nog zenden,
en niet eerder zal hij van de Grieken deze rampzalige pest afweren,
dan nadat je aan haar vader het meisje met de klare kijkers hebt weergegeven
zonder losprijs, zonder koopsom, en een heilig offer
naar Chryse hebt gebracht; pas dan kunnen we hem wellicht gunstig stemmen en met ons verzoenen.

De volksvergadering wordt ruim weergegeven. In het begin zien we dat het gedrag der mensen wordt bepaald door de goden. Op inspiratie van Hera wordt de vergadering samengeroepen. Achilles zegt dat er dringend wat moet gedaan worden. Hij stelt voor een bevoegd persoon te raadplegen. Dan staat Kalchas recht, heel voorzichtig, met iets van eigendunk, maar toch vooral bang. Hij moet zich goed gedekt weten en hij wil die steun plechtig verkrijgen. Achilles begrijpt hem, en hij zweert. Hij dekt Kalchas met zijn eed, maar ook met zijn insinuatie. Kalchas geeft dan de oplossing. Agamemnoon is schuldig. Chryses moet voldoening krijgen.