Hector en Andromache
Hector en Andromache
De zesde zang van de Ilias vertelt hoe Hector naar de stad komt om te vechten. Hij neemt afscheid van zijn vrouw.
Ontmoeting bij de Scaeïsche poort (392 e.v.).
Toen Hector, de grote stad doorkruisend,
bij de Scaeïsche poort kwam, langswaar hij wilde buitengaan naar de vlakte toe,
toen kwam hem daar zijn vrouw, de rijkbegiftigde, tegemoet gelopen,
Andromache, dochter van de edele Eëtion,
Eëtion die woonde aan de voet van de bosrijke Plakos,
in Thebe, onder aan de Plakos, heersend over zijn Kilikische mannen;
diens dochter dus was de vrouw van de bronsgeharnaste Hector.
Zij kwam hem tegemoet en samen met haar liep haar dienstmeid,
het onschuldige kind, nog zo klein, op de arm dragend,
het lieve zoontje van Hector, dat geleek op een mooi sterretje,
Hector noemde hem meestal Skamandertje, maar de anderen
Astyanax, want Hector alleen beschermde Ilion.
Nu volgt een lange discussie tussen Hector en Andromache. Eerst verwijt Andromache hem dat hij met zijn leven speelt. Hector zegt dat hij niet anders kan. Dat kristalliseert in de houding van het kind dat weent als zijn vader hem opneemt.
Twee vormen van trouw.
Wel dan, Hector glimlachte zwijgend toen hij zijn kind zag,
Andromache kwam wenend naast hem staan,
ze greep hem bij de hand, noemde zijn naam en sprak:
“Lieve man, je hevigheid zal je ten verderf voeren,
je hebt geen medelijden met je onmondig kind en mij, ongelukkige,
die weldra van je beroofd zal zijn,
want al gauw zullen de Grieken je doden als ze allen op je instormen.
Voor mij zal het, als ik je missen moet, beter zijn in het graf te liggen,
want als jij je dood zult hebben gevonden, zal er mij geen andere troost overblijven,
alleen maar smart, want ik heb geen vader meer, en geen lieve moeder,
de goddelijke Achilles doodde immers mijn vader, hij verwoestte
de welvarende stad der Kilikiërs, het hoogpoortige Thebe.
Hij doodde dus Eëtion, maar ontnam hem zijn wapenrusting niet, hij eerde hem immers in zijn hart,
integendeel, hij verbrandde hem samen met zijn rijkversierde rusting,
en schonk hem een graf, errond plantten bergnimfen, dochters van Zeus die de aegis draagt,
een rij olmen. Zeven broers had ik in het paleis, alle zeven gingen ze op dezelfde dag naar Hades toe,
hen allen doodde de snelvoetige goddelijke Achilles bij hun sleepvoetende ossen en zilverwitte schapen.
Mijn moeder, die koningin aan de voet van de bosrijke Plakos,
bracht hij daarna, samen met de rest van de buit hierheen,
maar al vlug liet hij haar vrij, in ruil voor een onschatbare losprijs,
maar toen trof haar, in het paleis van haar vader, Artemis, de raakschietende.
Hector, nu ben jij voor mij vader, èn lieve moeder, en ook broer,
jij, mijn krachtige man, kom dan, heb nu medelijden
en blijf hier bij de stadsmuur, maak je kind niet tot wees, en niet tot weduwe je vrouw,
stel je mannen op bij de vijgeboom, waar de stad het gemakkelijkst toegankelijk is,
en de wal een kans biedt tot bestormen.
Dit is een overblijfsel van een klaaglied van iemand die alleen overblijft. Het is een aanvaardbare klacht van een vrouw die van haar man houdt en die probeert haar man te vermurwen. Het is van een menselijkheid die we in het heldendom niet vaak vinden. Deze tekst is een bijna ongewijzigde elegie, die voor de gelegenheid werd aangepast aan de inhoud, maar waarvan de structuur bijna ongewijzigd is gebleven.
Nergens anders is er van de gebeurtenissen in Andromache’s familie sprake, dit lijkt te bewijzen dat deze tekst wel degelijk een aangepaste elegie is.
Hector negeert dit klaaglied, hij gaat er niet op in.
Daarna sprak toen de grote helmboswuivende Hector:
Ook mij bekommert dat alles, vrouw, maar ik schaam me geweldig voor de Trojanen en de Trojaanse vrouwen met slepende gewaden, indien ik zoals een lafaard mij ver van de oorlog zou weghouden. En ook mijn karakter dwingt me daar niet toe, vermits ik leerde altijd dapper te zijn en tussen de voorste Trojanen te strijden om de grote eer van mijn vader en die van mezelf te handhaven. Want ik weet dit maar al te goed in mijn hart en mijn gemoed: de dag zal komen waarop het heilige Troje zal zijn verwoest en Priamos en het volk van Priamos met de stevige speer zal zijn uitgeroeid. Maar later zal mij het leed van de Trojanen niet zozeer ter harte gaan, noch dat van Hekabe zelf, noch dat van vorst Priamos, noch dat van mijn broers, die met velen en dapper in het zand zullen vallen door vijandige mannen, als (mij ter harte zal gaan) het jouwe, wanneer één der Grieken in bronzen harnas je in tranen weg zal voeren, je berovend van je vrijheid. En in Argos zijnde zal je dan aan het getouw van een vreemde vrouw weven en water aanhalen uit de Messeïs of Hypereiabron tot je groot verdriet, maar een sterke dwang zal op je drukken en ooit zal men zeggen, wanneer men je ziet wenen: “Kijk daar, de vrouw van Hector, die tussen de paardenbedwingende Trojanen steeds uitblonk in de strijd, toen de oorlog woedde rond Troje.” Zo zal men ooit spreken en voor jou zal het telkens een nieuwe pijn zijn om het gemis van zo’n man die je van de slavernij had kunnen bevrijden. Maar moge na mijn dood een grafterpje me bedekken voordat ik je geschreeuw zal horen als men je wegsleurt. Na deze woorden stak de schitterende Hector de handen uit naar zijn zoon, maar dadelijk boog de kleine zich wenend tegen de boezem van zijn mooi omgorde voedster, verschrikt bij het zien van zijn vader. Hij vreesde het brons en de helmbos van paardenhaar, die hij heftig op en neer zag zwiepen vanaf de helmpunt. Zijn vader en zijn lieve moeder barstten in lachen uit. Dadelijk nam de schitterende Hector de helm van zijn hoofd en plaatste hem in al zijn schittering op de grond.
Waarom negeert Hector de klacht van zijn vrouw ? Hij kan niet anders, want hij moet instaan voor de eer van zijn familie. Ondanks zijn liefde voor Andromache en het kind moet hij vechten om die eer hoog te houden. Voor de oud-Griekse helden is die eer het belangrijkste dat er bestaat. Het ergste was: eerloos zijn (zie ook Achilles die gegriefd is omdat hij weinig is geëerd).
Hectors antwoord is een redelijke uitdrukking. Er is ook offervaardigheid mee gemoeid. Hij stelt dan a.h.w. de toekomst aan zijn vrouw voor. Het zal een toekomst zijn van pijn, slavernij, scheiding.
Hector blijft realist, maar tegelijk ook idealist. De klacht van Andromache was een klacht, gesproten uit liefde, maar eerder vrouwelijk. Het antwoord van Hector is zeer mannelijk, spruit voort uit plichtsbesef, en klinkt daarom zeer hard.
Na die twee monologen komt een korte stilte, voldoende om de spanning op te lossen. De twee ouders vinden mekaar terug rond hun kind. Het is een ideeënrijk, maar ook buitengewoon realistisch tafereel. De schrijver van de grootste heldendaden laat hier a.h.w. een kleine antimilitaristische toon doorklinken. De kleine herkent zijn vader niet en wordt pas rustig als die zijn helm afzet. De lach is dan het verlossende einde van de spanning.