De woede van Achilles - David (1819)
De woede van Achilles - David (1819)

Een held zoekt troost.

Het onrecht voltrokken.

Zo deden dus, verspreid over het kamp, de Grieken;maar Agamemnoon
liet de onenigheid niet varen, waarmee hij van eerstaf Achilles had bedreigd,
hij zond Talthubios en Eurubates, die zijn boden waren, en verknochte dienaars.
“Ga naar de tent van Peleus’ zoon Achilles; neem de mooiwangige Briseis bij de hand om haar hierheen te voeren;
geeft hij haar niet, dan zal ik ze zelf komen halen met een groot gevolg; dat zal hem heel wat pijnlijker zijn.”
Zo sprekend zond hij hen weg en hij voegde er nog wat krachtwoorden aan toe.
Die twee gingen dan met tegenzin naar het strand van de eindeloze zee,
en bereikten de tenten en de schepen der Myrmidonen.
Ze vonden hem, zittend bij zijn tent en zijn zwart schip;
Achilles was niet blij toen hij hen zag.
De twee stonden vol vrees en vol schroom voor de koning,
ze spraken hem niet aan en vroegen hem niets.
Maar hij begreep in zijn hart en sprak:
“Wees welkom, boden, gezanten van Zeus en van de mensen;
kom dichterbij; niet jullie hebben schuld tegen mij, maar Agamemnoon,
die jullie zond om het meisje Briseïs.
Maar kom, goddelijke Patroklos, haal het meisje buiten
en geef ze hun opdat ze het meevoeren; maar zij beiden moeten getuigen zijn
bij de gelukkige goden en bij de sterfelijke mensen
en bij die hardnekkige koning indien ooit weer
de nood aan mij zal opkomen om het rampzalige kwaad af te weren
voor de anderen. Want hij gaat in zijn verdorven hart razend te keer,
en nooit ofte nimmer wist hij wat te bedenken
wat de strijd van de Grieken bij de schepen veilig zou maken.”
Zo sprak hij, Patroklos gehoorzaamde aan zijn vriend,
hij haalde Briseïs met de schone wangen buiten
en stond toe dat ze haar meevoerden. De twee
keerden weer naar de schepen der Grieken.
Gelaten ging de vrouw met hen mee; Achilles van zijn kant
ging ver van zijn vrienden verwijderd zitten wenen
op het strand van de schuimende zee, kijkend over het grenzeloze water;
vurig bad hij tot zijn moeder met uitgestrekte handen:
“Moeder, vermits je me voor een wel kortstondig bestaan ter wereld bracht,
was de Olympische Zeus, die daarboven de donder doet rollen,
verplicht me veel eer te verschaffen.
In werkelijkheid heeft hij me geen ziertje geëerd.
Want de machtig heersende Agamemnoon, zoon van Atreus heeft me
beledigd; want hij bezit nu mijn geschenk dat hij op eigen houtje van me roofde.”

Dit is het besluit van de langdurige vergadering. De uitvoering van het besluit is ook het einde van het begin van de Ilias. Achilles voert zijn bedreiging uit. Hij trekt zich terug.

Deze tekst is mooi door zijn menselijkheid. Door hun optreden laten de personages zich kennen. Agamemnoon is machtiger, maar niet moediger. Hij stuurt boden, mensen die immuun zijn (boden werden beschermd door Zeus, wie boden in de weg stond had Zeus tegen) en die bovendien op zichzelf niet schuldig zijn. Ondanks alles houdt Agamemnoon er rekening mee dat Achilles kan weigeren. Hij zal komen, maar met een groot gevolg.

De boden gaan, maar durven niet spreken. Achilles begrijpt echter. Hij handelt waardig. Hij ontvangt de boden minzaam, menselijk, begrijpend. In plaats van in woede uit te barsten is hij gekwetst, gegriefd, maar waardig. Hij werkt zijn woede niet uit op wie het niet verdient. Als hij over Agamemnoon spreekt wordt hij bitter.

Op het einde weent Achilles. Hij is bedroefd, niet zozeer omdat hij beledigd is. Hij geeft wel de ware reden aan zijn moeder: in ruil voor zijn kortstondig leven wil hij een compensatie. Als hij die compensatie niet krijgt is hij tweemaal het slachtoffer.

Thetis komt, verhoort Achilles en gaat naar de goden. De goden geraken in ruzie tot Hephaistos aan de ruzie een einde maakt.