Croesus (Claude Vignon 1593-1670)

(Herodotos, Historiën, Boek I)

1.
Hier voor u ligt de uitgave van de historische opzoekingen van Herodotos van Thoerioi. Het opzet ervan is enerzijds dat de menselijke verwezenlijkingen niet uit het geheugen zouden verdwijnen met de tijd, anderzijds dat de grote en bewonderenswaardige daden, verricht door de Grieken en door de barbaren, niet roemloos zouden worden, in het bijzonder de reden waarom ze met elkaar oorlog voeren.

6.
Kroisos was Lydiër van afkomst, zoon van Alyattes, heerser over de volkeren aan deze kant van de Halys-rivier, die vanuit het zuiden vloeit, tussen het gebied van Syriërs en Paphlagoniërs, die noordwaarts vloeit in de zo genoemde Zwarte Zee. Deze Kroisos was de eerste van de ons bekende barbaren die bepaalde Grieken wist te verplichten tot het betalen van schatting, en met anderen een vriendschapsverdrag sloot. Tot schatting wist hij te verplichten de Ioniërs en de Aeoliërs en de Aziatische Doriërs, met de Spartanen sloot hij een vriendschapsverdrag. Vóór Kroisos’ heerschappij waren alle Grieken vrij.

28.
Toen na verloop van tijd bijna alle volkeren aan deze kant van de Halysrivier onderworpen waren (want behalve de Kilikiërs en de Lykiërs had Kroisos alle andere volkeren aan zich weten te onderwerpen),

29.
toen kwamen in blok alle geleerden van Griekenland in Sardes aan, toen die stad op het toppunt van haar macht was, alle geleerden die er op dat ogenblik waren, ieder had daarvoor zijn eigen motieven, en natuurlijk kwam er ook Soloon, een Athener die voor de Atheners op hun verzoek een grondwet had opgesteld en die nu voor tien jaar op reis was, onder voorwendsel van een toeristische tocht te maken, maar natuurlijk opdat hij niet zou gedwongen worden één van de wetten, die hij had opgesteld, te herroepen. Want zelf waren de Atheners daartoe niet in staat, want ze hadden zich door zware eden ertoe verbonden die grondwet, door Soloon voor hen opgesteld, te behouden gedurende tien jaar.

30.
Vanzelfsprekend dus om precies die redenen en ook wel om wat van de wereld te zien, was Soloon op reis gegaan en hij was in Egypte bij Amasis aangekomen en natuurlijk ook in Sardes bij Kroisos. Bij zijn aankomst werd hij door Kroisos gastvrij in zijn paleis ontvangen; na twee of drie dagen leidden dienaars Soloon rond langsheen de schatkamers op bevel van Kroisos en ze toonden al de prachtige en kostbare dingen die er lagen. Toen Soloon dat alles gezien en bekeken had al naargelang het hem beviel, stelde Kroisos hem de volgende vraag: “Mijn vriend uit Athene, er zijn bij ons over u al heel wat verhalen rondgegaan, zowel over uw wijsheid als over uw reizen, hoe gij uit drang naar wijsheid de hele wereld hebt doorreisd om alles te zien; en nu is dan ook bij mij het verlangen opgekomen om u te vragen of ge reeds iemand hebt gezien die de gelukkigste is van alle mensen.” Hij nu vroeg dat in de hoop dat hij de gelukkigste van alle mensen zou zijn. Maar Soloon, Kroisos niet het minst naar de mond pratend, maar zich aan de waarheid houdend, zei: “Sire, Tellos de Athener.” Kroisos, die verbaasd stond over dat gezegde, vroeg met aandrang: “Op welke gronden meent ge dat Tellos de gelukkigste is?” Deze zei nu: “Enerzijds had Tellos, toen de stad in bloei was, prachtige en edele kinderen, en hij zag zijn eigen kinderen allemaal kinderen krijgen die allen in leven bleven, anderzijds viel hem op het ogenblik dat hij in welstand leefde, volgens Atheense maatstaven gemeten, een prachtig levenseinde te beurt. Toen de Atheners immers in strijd waren met hun naburen te Eleusis, was hij van de partij en hij hielp de vijand op de vlucht drijven, daarop sneuvelde hij op een dappere wijze, en de Atheners begroeven hem op staatskosten precies op de plaats waar hij was gesneuveld, en zij bewezen hem op grootse wijze de laatste eer.”

31.
Toen Soloon Kroisos nerveus gekregen had met zijn verhalen over Tellos, waarin over groot geluk sprake was, toen stelde Kroisos hem de vraag wie hij zag als de tweede gelukkigste na die Tellos, absoluut in de mening dat hij tenminste de tweede prijs zou veroveren. Deze nu sprak: “Kleobis en Bitoon. Want die mannen, van geboorte Argeërs, hadden voldoende levensmogelijkheden, en bovendien beschikten ze over een lichaamskracht waarover ik nu ga vertellen; zij waren beiden even knap in het veroveren van prijzen, en zo komt het dat dit verhaal wordt verteld: toen er bij de Argeërs eens een feest gevierd werd ter ere van Hera, toen was het absoluut nodig dat hun moeder per wagen naar de tempel gebracht werd, maar hun trekossen waren niet bijtijds terug van het veld. Omdat de tijd drong gingen de jongemannen zelf onder het jukkussen staan en trokken de wagen voort, en bovenop de wagen liet hun moeder zich door hen voeren, zo legden ze 45 stadiën* af en bereikten de tempel. Toen zij dat werk onder het oog van heel het volk hadden volbracht, viel hun een prachtig levenseinde te beurt, en hiermee toonde de godheid aan dat het voor een mens beter is dood te zijn dan te leven. Want de Argeërs die daarrond stonden prezen de jongens om hun kracht, de Argeese vrouwen loofden hun moeder omdat die zulke kinderen had gekregen. De moeder was zeer verheugd over hun daad en hun faam, ze ging voor het beeld van de godheid staan en ze vroeg haar dat ze aan haar eigen kinderen, Kleobis en Bitoon, die haar grote eer hadden gebracht, zou geven wat voor een mens het beste is om te krijgen. Toen ze na dat gebed aan de goden een offer gebracht hadden en een goed feestmaal gehouden hadden, legden de jongens zich te rusten in het tempelgebied zelf, ze stonden niet meer op, maa vonden zo de dood. De Argeërs maakten standbeelden van hen en voerden die naar Delphi, want in hun ogen waren ze helden geworden.”

32.
Vandaar dat Soloon dus aan deze mannen de tweede prijs van het geluk toekende. Kroisos sprak nu vertoornd: “Gij, gast uit Athene, hebt ge ons geluk dan zo weinig geacht, dat ge ons zelfs niet op de hoogte hebt geacht van gewone burgers?” Deze zei nu: “Kroisos, ge stelt me vragen over menselijke aangelegenheden, aan mij die weet dat de godheid één en al afgunst is en één en al onberekenbaarheid. Want in de lange duur van het leven kan de mens vele dingen zien die hij liever niet ziet, en vele dingen meemaken die hij liever niet zou meemaken.

Stel dat een mens 70 jaar oud wordt. Dat maakt samen 25.200 dagen, zonder de schrikkelmaand. Als men elke 2 jaar met 1 maand zou verlengen, over de seizoenen verdeeld, zouden er 35 maanden bijkomen, dus 1050 dagen. Te samen 26 250 dagen. Welnu, van al die dagen brengt geen enkele dag hetzelfde als de voorgaande.

Zodoende, Kroisos, is de mens één en al toeval.” Mij komt het wel voor dat ge een heel rijk man zijt en koning over vele mensen, maar dat wat ge me gevraagd hebt, dat kan ik van u nog niet zeggen, vóór ik vernomen heb dat ge uw leven op een schone wijze hebt beëindigd. Want degene die schatrijk is, is in geen enkel opzicht gelukkiger dan wie maar bezit heeft voor één dag, als hem niet het lot te beurt valt van met al die mooie dingen zijn leven schoon te eindigen. Want vele schatrijke mensen zijn ongelukkig, velen met een bescheiden vermogen zijn tevreden. Degene die zeer rijk is dus, maar ongelukkig, die heeft meesterschap over degene die tevreden is in ’t leven, alleen in twee opzichten; maar deze laatste staat in vele opzichten voor op degene die rijk is maar ongelukkig. Eerstgenoemde is meer bij machte een verlangen te voldoen en een zware tegenslag die hem overkomt te dragen, laatstgenoemde heeft het volgende op hem voor: hij is niet op dezelfde wijze in staat om een tegenslag te dragen of een verlangen te voldoen als een rijke – maar het lot houdt dat wel van hem af – hij is gaaf van lichaam, gezond, niet onderhevig aan kwalen, hij heeft vele kinderen en is gaaf van uiterlijk. Als hij daarenboven zijn leven nog goed beëindigt, dan is hij de man die ge zoekt en die het waard is gelukkig genoemd te worden. Maar zolang hij nog niet dood is, moet je wachten en mag je hem nog niet gelukkig noemen, maar tevreden. Het is voor iemand onmogelijk dat alles bij elkaar te nemen, omdat hij maar een mens is, zoals geen enkele landstreek volledig in haar behoefte kan voorzien door alles aan zichzelf te verschaffen, want ze heeft wel het ene in haar bezit, maar mist daarbij het andere; die landstreek die nu het meeste bezit, die is de beste. Zo kan ook geen enkel mens heel alleen in zijn behoeften voldoen; want hij bezit wel het ene, maar mist het andere; hij die met de meeste van die dingen zijn leven mag doorbrengen en daarna nog op een aangename manier mag sterven, die is volgens mij, Sire, waard die naam te dragen. Men moet onderzoeken hoe het met alles afloopt, hoe het zal eindigen. Want nadat de godheid aan velen het geluk getoond had, richtte zij ze daarna radicaal ten gronde.

33.
Vanzelfsprekend deed hij Kroisos met deze woorden geen plezier, Kroisos liet Soloon vertrekken zonder er verder aandacht aan te schenken, in de mening dat Soloon niet goed snik was, een man die het oog afhoudt van de huidige rijkdommen, en beval naar het einde van alles te zien.

* 8345 m

Advertenties