6.
Herodotos schetst de situatie: wie, afkomst, plaats, … We zien dat hij van details houdt en alles preciseert. Hij is een verteller, liefst van korte verhalen. Marrou noemt hem “un aïeul un peu retombé en enfant”, Cohen “un conteur savoureux, pas une individualité de premier rang, et c’est tant mieux.”

30.
Kroisos houdt een captatio benevolentiae voor Soloon. Zijn vraag is hoofs omslachtig en geveinsd bescheiden. Bovendien is ze beperkend: de gelukkigste is iemand die Soloon gezien heeft. Kroisos’ belangstelling is pseudo-onbaatzuchtig.

Het geluk volgens Soloon: bloeiend vaderland, bloeiende kinderen (familie is een middel om de roem te beschermen), welvaart, schitterende dood, schitterende begrafenis.
De eerbetuiging heeft ook twee motieven: de rust van de ziel verzekeren, en haar voorzien van blijvende roem.

Het antwoord van Soloon is niet expliciet (recht op de vraag ingaand). Hij zegt impliciet (laat uit de tekst afleiden) dat Tellos de gelukkigste is. Het antwoord is onvolledig: Soloon zegt niet waarom Tellos de gelukkigste is. Hij zegt gewoon dat hij gelukkig is, het graadverschil zal hij later uitleggen.

Het geluk van een mens ligt in het normale leven, in zijn geheel overzien, als dat leven beantwoordt aan het levensideaal. Men moet geen koning of een uitzonderlijk man zijn om gelukkig te zijn.

31.
Het tweede antwoord betreft weer onbekende mensen. Het is zeer laconiek: het kon niet korter. Dit antwoord komt voor Kroisos weer hard aan.

Het geluk van Kleobis en Bitoon: persoonlijke welvaart; ze bezaten veel lichaamskracht, bekroond door en daad van kinderliefde; gestorven op het moment van hun roem in een heiligdom; na hun dood wordt hun roem bestendigd (standbeelden).

Vergelijking met het verhaal van Tellos:

a) Het kernpunt in beide verhalen: Soloon noemt twee mensen die al dood zijn. Het gaat telkens om een normaal welvarend leven dat tot aan het einde toe bestendigd werd. Beide mensen hebben hun leven beëindigd met een roemvolle daad.

b) Accidentele verschilpunten: Tellos vertegenwoordigt het geluk van de oudere man. Kleobis en Bitoon dat van jonge mensen. Bij Tellos wordt de plaats in de gemeenschap benadrukt, bij Kleobis en Bitoon de lichaamskracht.

c) Essentiële verschilpunten: waarom komen Kleobis en Bitoon op de tweede plaats?
T. sterft voor de gemeenschap. K.en B. sterven in de tempel, slechts een weinig in dienst van de gemeenschap.
De dood op het slagveld is pijnlijk, de jongens sterven pijnloos.
Tellos heeft meer van het leven mogen genieten. Hij heeft het volle geluk mogen proeven.

d) Nieuwe elementen in het tweede verhaal.
Er wordt gesproken over de godheid. Dit suggereert de kleinheid van het menselijk leven, zijn thuishoren in een grotere, bovenmenselijke orde.
De gedachte dat dood zijn beter is dan leven. Het lijkt bijna een christelijke gedachte. De Griek wil evenwel slechts roem. Men kan dus hier op aarde zijn geluk verliezen. In zekere zin brengt dit een pessimistisch deel van de Griekse levenshouding naar voor: de dood brengt het einde aan het onzekere leven.

32.
De “phthonos” van de goden.

Deze gedachte is geen ontdekking van Herodotos, maar wortelt wel in de Griekse mentaliteit. De Griek heeft zin voor maat en huiver voor “hybris”, het buitensporige, dat bestraft moet worden. In de Griekse denkwijze wordt het plotse ineenstorten van mooie dromen toegeschreven aan de Olympische goden, naar het beeld van de menselijke afgunst.

Herodotos zuivert dit anthropomorfisme (voorstellen van de goden in de gedaante van een mens) uit. De godheid waakt nauwlettend over orde en evenwicht (meer positief dan jaloers) in de kosmos. De godheid bakent grenzen af. Die grenzen overschrijden is onrecht, dat moet vergolden worden door de goddelijke straf (nemesis), zelfs al kunnen we er zelf niets aan doen: schuld is niet steeds verantwoordelijkheid. Een mens moet wel zichzelf leren kennen.

In Herodotos VII,1 lezen we “Gij ziet hoe de god op de hoogste bomen en gebouwen zijn bliksemschichten richt. Want alles wat uitsteekt pleegt hij te kortwieken. Zo wordt een groot leger door een klein vernietigd: naijverig geworden zaait hij paniek onder hen, en ze gaan ten onder op een wijze die hun grootheid te schande maakt. Want de god laat niemand groot van zich denken, dan zichzelf.”
Dit thema klinkt erg bijbels. Cfr. Jesaja II,11: ” De trotse blik van de mens moet neer. De menselijke hoogmoed moet worden gebroken. Hoogverheven blijft de Heer alleen.”

33.
Kroisos gelooft de waarschuwing van Soloon niet en blijft volhouden in zijn hybris. Het gevolg is dat de nemesis van de goden niet kan uitblijven en Kroisos’ zoon Atys sterft kort daarna