De dienstplicht der burgers

42.

Het komt me voor, Atheners, dat één of andere god, zich schamend in onze plaats om wat gebeurt, deze bedrijvigheid influistert bij Philippus. Indien hij met hetgeen hij al veroverd en ingenomen heeft zou tevreden zijn en verder niets meer zou uitvoeren, dan meen ik dat sommigen van jullie zouden berusten in de toestand, waaruit wij in ’t openbaar ons schande op de hals halen en alle soort van oneer, en waarin we blijk geven van lafheid. Maar nu hij steeds opnieuw wat onderneemt en meer begeert, zit de kans erin dat hij jullie wel wakker maakt, als jullie tenminste niet alle hoop al hebben laten varen.

43.

Mij verwondert het, Atheners, dat niemand van jullie erom bezorgd of vergramd is, wanneer hij ziet dat een oorlog, begonnen om Philippus te bestraffen, op het einde nog slechts tot doel heeft van verder leed vanwege Philippus gespaard te blijven. Nochtans is het duidelijk dat Philippus geen halt zal houden als niemand hem in de weg gaat staan. Als wij dan maar blijven wachten, en als jullie ledige schepen uitzenden, beladen met wat hoop, door een ander ingeblazen, menen jullie dat dan alles naar wens verloopt?

44.

Zullen wij niet inschepen, zullen wij niet zèlf vertrekken, ten dele althans met eigen soldaten,nu, ook al deden we dat vroeger niet ? Zullen we niet tegen zijn eigen land uitvaren? “Waar zouden we landen?” hoor ik iemand vragen. De zwakke plekken in zijn situatie, Atheners, zal de oorlog zelf wel blootleggen, als wij maar het nodige doen; indien we echter thuis blijven zitten, luisterend naar sprekers die elkaar beschimpen en beledigen, zal ons nooit eens ten deel vallen wat wij wensen.

45.

Want waarheen je, me dunkt, je zelfs maar een deel van onze medeburgers meestuurt, zo je ze niet alle zendt, daar zullen de goden ons genegen zijn, en de fortuin zal aan onze zijde strijden; zend je echter een bevelhebber uit met een ijdel besluit en een hoop die slechts uit woorden bestaat, hier op dit spreekgestoelte uitgesproken, dan zal er niets gebeuren van wat nodig is, integendeel, de vijand zal ons uitlachen en onze bondgenoten zullen dood zijn van angst als ze dergelijke expedities zien aankomen.

46.

Het bestaat niet, het is onmogelijk dat één man alleen in staat is ooit voor jullie te doen al wat je wenst; beloven nochtans en woorden uitkramen, en deze en gene beschuldigingen, dat is mogelijk, maar daardoor gaat de staat ten gronde. Wanneer immers de strateeg het bevel voert over miserabele onbetaalde huurlingen, terwijl hier over hetgeen hij uitvoert, bij jullie lichtvaardige leugens worden rondgestrooid, en jullie, voortgaande op praatjes, zo maar lukraak beslissigen treffen, wat moet er dan verwacht worden?

47.

Hoe zal dat eindigen? Wanneer jullie, Atheners, dezelfde mannen aanstelt tot soldaten, tot getuigen van de krijgsverrichtingen en, wanneer ze terug thuiskomen, tot rechters als rekenschap wordt gegeven, zodat jullie niet van horen zeggen alleen je eigen belangen kent, maar met eigen ogen getuigen zijt geweest. Nu echter is de toestand zo beschamend geworden dat iedere veldheer bij jullie twee, ja driemaal op leven en dood terechtstaat, maar dat geen enkel van hen het ook maar éénmaal aandurft op leven en dood een gevecht aan te gaan tegen de vijanden; nog liever verkiezen ze een dood van slavenhandelaars of klederdieven, dan één die bij hen past; een misdadiger past het immers als veroordeelde te sterven, een strateeg op het slagveld.

48.

En wij slenteren maar rond, de enen zeggend dat Philippus samen met de Spartanen aan de ondergang van Thebe werkt en verdeeldheid zaait onder de Boeotische steden, de anderen bewerend dat hij gezanten zond naar de koning (van Perzië), anderen nog dat hij in Illyrië vestingen bouwt, en weer anderen … – kortom, wij lopen allen maar wat rond en ieder heeft zijn weetje.

49.

Ik echter, Atheners, ben van mening, zowaar er goden zijn, dat die man beroesd is door de omvang van zijn verwezenlijkingen, en dat hij in zijn brein nog van vele dergelijke dingen droomt, vermits hij ziet dat er niemand is om hem te dwarsbomen, en hij zich sterk voelt door zijn successen. Toch meen ik niet, bij Zeus, dat hij zodanig zal verkiezen te handelen dat zelfs de meest onnozele onder ons kan doorzien wat hij zinnens is te doen, die allerdwaassten zijn zeker wel die nieuwtjesbrouwers.

50.

Maar als wij dat geleuter laten varen en ervan overtuigd zijn dat die man onze vijand is en ons onze bezittingen ontsteelt, en al lang brutaal optreedt, en dat alles waarvan we ooit hebben gehoopt dat het vóór ons zou zijn gebeurd, tégen ons bleek uitgevoerd te zijn, en dat de toekomst in onze eigen handen ligt, en dat, indien we niet bereid zijn hem nu gìnds te gaan bevechten, we wellicht zullen gedwongen worden het ooit hier te doen, indien we daarvan overtuigd zijn, dan zullen we ook inzien wat moet gedaan worden, zonder al dat loze gebeuzel; we moeten dus niet nagaan wat er ooit gebeuren kàn, maar goed beseffen dat het ons slecht zal vergaan, als jullie (nu) de zaken niet in het oog houden en bereid zijn het nodige te doen.

Slot.

51.

Ik van mijn kant, heb bij geen enkele andere gelegenheid verkozen voor iemands genoegen te praten, als ik er niet van overtuigd was dat mijn woorden nuttig zouden zijn. Ook nu heb ik openhartig en zonder ergens doekjes om te winden, vrijmoedig gezegd al wat ik weet. Zoals ik weet dat het voor jullie voordelig is het allerbeste te vernemen, zo wilde ik ook wel weten dat het voordeel biedt de beste raad te geven, want dan zou ik mij veel geruster voelen. Maar nu het nog onzeker is wat er uit dit alles voor mij zal voortkomen, heb ik toch verkozen te spreken, overtuigd dat mijn raad je voordeel zal brengen als je hem uitvoert. Moge mijn voorstel, wat alleen baat zal bijbrengen, het halen.

Advertenties