De politieke toestand

Philippus van Macedonië
Philippus van Macedonië

2.
Allereerst, Atheners, mogen jullie de moed niet laten zakken omwille van de huidige situatie, zelfs niet al schijnt ze totaal uitzichtloos. Immers, wat in het verleden het slechtste was, zal in de toekomst het beste zijn. Wat is dat dan wel ? Wel, Atheners, het gaat nu slecht omdat jullie totnogtoe jullie plicht niet deden. Als het zo was dat jullie reeds alles hadden gedaan wat moest gedaan worden, dan restte er ons geen hoop meer dat alles weer goed zal worden.

3.
Vervolgens moeten jullie voor ogen houden, ’t zij je ’t van anderen hebt gehoord, ’t zij omdat je ’t weet door eigen herinnering, hoe groot eens de macht was van de Spartanen – dat is nog niet zo lang geleden – hoe jullie toen op een degelijke en passende wijze niets hebben ondernomen wat de stad onwaardig was, hoe jullie toen omwille van het recht de oorlog tegen hen tot het einde toe hebben volgehouden. Waarom zeg ik dat nu ? Opdat jullie zouden weten, Atheners, en inzien dat, wanneer je op je hoede bent, je niets hoeft te vrezen, maar dat, als je aan je plicht verzaakt, niets zal verlopen zoals je ’t wenst ; als voorbeelden kunnen jullie gebruiken de toenmalige sterkte der Spartanen die jullie hebben overwonnen omdat je niets onverlet liet. Ofwel de hoogmoed nu van die koning, waardoor wij verontrust zijn omdat wij geen zorg droegen om wat nodig was.

4.
Indien iemand van jullie, Atheners, meent dat Philippus moeilijk te beoorlogen is, rekening houdend met de enorme legermacht waarover hij beschikt, en met het verlies voor onze stad van al die gebieden, dan is zijn mening juist. Maar toch moet hij bedenken dat, Atheners, wij vroeger in het bezit waren van Pydna en Potideia en Methone, en dat alles wat daarrond  lag, onze eigendom was, en dat vele van de nu aan ons onderworpen volkeren, eens onafhankelijk en vrij waren, en liever met ons dan met hem in vriendschap zouden leven.

5.
Indien nu Philippus toen deze mening had gehad, dat het zonder bondgenoten moeilijk was te vechten tegen de Atheners, die zovele verschansingen tegen zijn land hadden opgebouwd, dan zou hij voorzeker niets hebben gedaan van wat hij nu wel heeft gedaan, en dan zou hij niet zulk een macht hebben veroverd. Maar hij wist, Atheners, zeer goed dat al deze streken als een prijs voor de oorlog lagen opgesteld in het midden en dat natuurlijkerwijze het deel van de afwezigen aan de aanwezigen te beurt valt, en aan al wie wil afzien en risico nemen, het deel van hen die alles maar laten verlopen.

6.
Vandaar dus dat hij, steunend op die wetenschap, alles heeft onderworpen en in bezit genomen, een deel zoals de eerste de beste iets door oorlog verovert, een ander deel door het voor zich te winnen als bondgenoot en vriend. Want iedereen wil wel samenwerken (in de strijd) en sympathiseren met hen die ze paraat zien en bereid het nodige te doen.

7.
Als jullie, Atheners, bijgevolg nu ook zo willen gaan denken, aangezien je het vroeger niet gedaan hebt, en als ieder van jullie waar het moet en het mogelijk zou zijn zich nuttig wil maken voor de staat en alle voorwendsels zou willen laten varen, bereid om te handelen, de ene die geld heeft door belasting te betalen, de andere die in zijn weerbare leeftijd is, door krijgsdienst te verrichten, kortom, als jullie je eigen verantwoordelijkheid zouden willen opnemen, en als ieder van jullie ermee ophoudt te hopen dat hij zelf niets moet doen, maar dat zijn gebuur het voor hem wel zal opknappen, dan zullen jullie als ’t god belieft je eigen bezittingen weer veroveren, dan zullen jullie wat je door gemakzucht hebt verloren, terugwinnen, en hem zullen jullie een afstraffing toedienen.

8.
Wil toch niet denken dat de huidige toestand voor hem, als was hij een god, voor eeuwig vaststaat, integendeel, er is wel iemand die hem haat en vreest, Atheners, en benijdt, ja zelfs onder hen die nu volledig aan zijn kant schijnen te staan. En alle hartstochten die je gewoonlijk bij andere mensen aantreft, die moet je toch ook verwachten bij zijn aanhangers. Nu nochtans houden die zich allemaal nog schuil. Ze hebben immers nog geen toevluchtsoord omwille van jullie loomheid en gemakzucht. Ik bezweer jullie die ondeugden af te leggen, nu dadelijk.

9.
Kijk maar eens, Atheners, tot welke graad van schaamteloosheid die man de toestand heeft gebracht, dat hij jullie zelfs de keuze niet meer laat tussen handelen en stilzitten, maar dat hij jullie bedreigt, en – naar men vertelt – honende woorden over jullie uitspreekt, en dat hij er de man niet naar is om tevreden te zijn met wat hij reeds veroverd heeft, maar dat hij altijd nog meer wil inpalmen en rondom ons aan alle kanten strikken spant, vermits wij blijven aarzelen en bij de pakken blijven zitten.

10.
Wanneer dan, Atheners, wanneer gaan jullie eens doen wat moet gedaan worden ? Wat moet er dan nog gebeuren ? “Wanneer er, bij Zeus, iets ons dwingt te handelen.” Wat moet men dan wel denken over wat nu gebeurt ? Ik meen namelijk dat voor vrije mensen de grootste dwang uitgaat van de schaamte over hun eigen daden. Of wil je, zeg het me maar, zo maar wat rondslenteren en vragen : “Is er nieuws ?” Kan er dan wel groter nieuws zijn dan dat een Macedoniër Atheners onder de voet loopt en in zijn macht heeft wat aan Grieken toebehoort ?

11.
“Is Philippus dood ?” “Nee verdorie, maar hij is ziek.” Wat verschil maakt dat voor jullie uit ? Want als deze man iets zou overkomen, dan zouden jullie al heel vlug een nieuwe Philippus doen ontstaan, tenminste als je zo nauwlettend blijft op de situatie. Want Philippus is groot geworden, niet zozeer door eigen kracht, dan door jullie nalatigheid.
12.
En toch moet je dit nog overwegen : gesteld dat iets hem zou overkomen, en dat de speling van het lot, dat altijd beter voor onszelf zorgt dan wij het zelf doen, ook dat voor ons zou bewerken, weet dan goed dat, als je in de buurt bent, als je klaar staat, je in de totale verwarring die dan zal heersen orde zult scheppen naar eigen goeddunken, maar dat, zoals het er nu voorstaat, je zelfs als het lot het je in de schoot zou werpen, niet in staat zult zijn Amphipolis weer over te nemen, ver weg als je bent van elke voorbereiding of zelfs plan.

Demosthenes geeft een oratorisch verhaal, dat maar een schets is.
– Het gevaar is reëel, wees niet blind.
– Het gevaar is een gevolg van jullie zorgeloosheid, word wakker.
– Het gevaar is niet dodelijk, wees niet radeloos.
Drie soorten vna uitroep dus, met een stellingname en een conclusie.

2-3 : Niet moedeloos zijn. Jullie deden je plicht niet, en juist daarom is er nog hoop. Plicht kan de zaken keren (denk maar aan Sparta).

4-6 : Philippus profiteert van je zorgeloosheid. Bondgenoten vallen af omdat ze geen steun krijgen. Als Philippus dacht zoals jullie, dan had hij het niet klaargespeeld. En als de bondgenoten steun kregen, zouden ze nu bij ons staan.

7-9 : Iedereen moet zijn eigen verantwoordelijkheid opnemen, dan komt alles wel goed.Philippus is niet onoverwinbaar, hij is ook maar een mens, al gedraagt hij zich zo brutaal.

10 – 12 : Samenvatting en opwekking : van alles zijn jullie zelf de schuld ; het wordt tijd dat je begrijpt en je erover schaamt ; zorg dat je klaarstaat op het gepaste moment.

In het vervolg van de gedachtengang zegt hij : “Laten we nu iets doen !” Dan worden voorstellen geformuleerd.

Demosthenes ontwikkelt zijn gedachten in een brede, parallelvormige periode, dikwijls met tegengestelde gedachten.
Ook is er een afwisseling in de gevoelens en de bijhorende taaltechnieken : van bemoedigend en troostend naar sarcasme.

De golfbeweging in gevoel vind je ook in de structuur : korte en lange, vragende en bevestigende, polysyndeta.
De sobere tekst wordt verlevendigd met flarden uit gesprekken, concretisering.

Advertenties