Economie en sociaal leven

Hoewel de Boergondische periode een tijd van rijkdom was, betekende ze voor sommige streken toch ook een achteruitgang. Er is een centrumverlegging: onder de Boergondiërs verschuift de macht (economisch, politiek, militair) van Vlaanderen naar Brabant (Mechelen, Brussel, Antwerpen). Dit kwam o.a. door het verval van de Vlaamse wolnijverheid: Vlaamse wevers hadden aan de Engelsen de stiel geleerd, en bovendien schakelde men geleidelijk over van wol naar vlas. De haven van Brugge werd dus minder gebruikt. Onder meer door een gebrek aan inkomsten kon men het Zwin niet meer uitbaggeren, zodat het helemaal verzandde. De tapijtweverij verhuisde van Oudenaarde naar Brussel en Mechelen.

Er is ook een weerslag op sociaal gebied: de kloof tussen rijk en arm wordt nog groter. Er ontstaat een geldadel en een groot proletariaat. De wevers wijken uit naar het platteland, maar worden het slachtoffer van opkopers, die hen nog meer uitbuiten. Het pauperisme nam toe. Ondertussen werd de eigenlijke adel ingeschakeld in hofleven en bestuur, en zo vleugellam gemaakt.

Godsdienst en kunst

Zedelijk verval en bloeiend godsdienstig leven bestaan tegelijkertijd. Enerzijds wordt de godsdienst uitgehold in praktijken zonder inhoud: de dorpspastoors vertonen een schrijnend gebrek aan kennis van hun godsdienst; de Renaissancepausen geven niet direct een stichtelijk voorbeeld. Anderzijds bloeien de kloosterorden en komen er ook nieuwe orden op: de Kartuizers, de Broeders van het Gemene Leven, die veel aantrekking uitoefenen. In deze tijd verschijnt ook de Navolging van Christus.

Onze gewesten kennen één van de hoogtepunten uit hun beschavingsgeschiedenis met de oprichting van de Universiteit van Leuven in 1425 door Jan IX van Brabant.

De uitvinding van de boekdrukkunst geeft een enorme impuls aan de verspreiding van de cultuur. In 1473 drukt Dirk Martens in Aalst zijn eerste boeken: incunabelen of wiegedrukken.

De literatuur zelf is over haar hoogtepunt heen. Er is nog wel een uitgebreide lyriek. De Rederijkerskamers zorgen voor zeer veel toneel, maar met weinig uitschieters. Het beste is nog de kroniekschrijverij, die wel vooral franstalig is: Froissart, Commynes. Die kronieken zijn dan wel gekleurd, en geen objectieve verhalen. Dank zij de boekdrukkunst richten de Boergondiërs het begin op van de koninklijke bibliotheek.

In de bouwkunst bloeit de Brabantse gotiek. Onze bouwmeesters (o.a. de gebroeders Keldermans) werkten over heel Europa.

In de beeldhouwkunst komt het beeld los van zijn dienende functie t.o.v. de godsdienst. De bekendste beeldhouwer uit deze periode is Claus Sluter, die voornamelijk in Dijon werkte.

In de schilderkunst kennen we de periode van de Vlaamse Primitieven. Hun werken worden gekenmerkt door een (anatomisch weliswaar onvolmaakt) sterk realisme, een technisch zeer geslaagd coloriet, door de voornamelijk religieuze onderwerpen, door het feit dat het tableau in een diepte wordt geplaatst, en door een uiterst verfijnde penseelvoering, die is ontstaan uit de miniatuurkunst. De gebroeders Van Eyck beginnen met olieverf te schilderen (polyptiek van het Lam Gods). De werken van Rogier Van der Weyden zijn dramatisch en zeer diep religieus. Die van Hans Memlinc eerder charmerend, lieflijk, dromerig. Dirk Bouts schilderde vooral in Leuven (Laatste Avondmaal). Hugo Van der Goes schildert houterig, maar diep religieus in een zeer apart vaalblauw coloriet. Bij Jeroen Bosch zijn zowel de onderwerpen als het coloriet surrealistisch.

De muziek uit onze gewesten is in die tijd bekend in heel Europa. We kunnen o.a. noemen Guillaume Dufay (Kamerijkse school) en Johannes Ockeghem en Jacob Obrecht (Nederlandse school).

Advertenties