Bouwkunst

De 6e en 7e eeuw zijn de tijd van de kerstening. De kerken zijn zeer eenvoudige bidplaatsen uit hout.

De eerste stenen gebouwen, waarvan trouwens weinig is overgebleven, verschijnen tijdens de Karolingische Renaissance, zoals b.v. de Dom van Aken.


In de feodale tijd lieten de meeste heren een eigen kerkje oprichten. Dat was niet groot, en buiten bidplaats ook nog toevluchtsoord. De eerste kerken waren dus klein (kleine gemeenschappen), technisch eenvoudig, en burchtachtig: dikke muren, een stevige toren, enz. De Romaanse stijl van deze gebouwen werd dus vooral bepaald door de noodwendigheid, door de eenvoudige vaardigheid van de bouwers, en door de mindere financiële mogelijkheden.

Het type is laag, log, eerder horizontaal. Kenmerkend is de rondboog en het dak dat ingewerkt is in een tongewelf. Omdat men de verticale druk nog niet kon kanaliseren zijn de ramen kleine openingen in de zware muren.

Romaanse kerken vinden we vooral in oostelijke, afgelegen plaatsjes van ons land.


In de gemeententijd krijgen we grotere concentraties van mensen, die welvarender en ijdeler zijn. Er zijn meer mensen, meer geld en meer pronkzucht, we krijgen dus grotere gebouwen. Vanuit het zuiden komt de Gotiek, die geëvolueerd is uit de Romaanse kunst.

Men heeft geleerd de druk samen te brengen in krachtlijnen, die samenkomen in 1 punt. Omdat de druk wordt verdeeld over bepaalde krachtlijnen, omdat men nog maar een beperkter aantal sterke punten nodig heeft, kan men hoger en breder bouwen, met grotere ogivale lichtopeningen.

De pijlers van de kerk worden buiten verstevigd door steunberen, die later apart komen te staan, en afzonderlijke constructies vormen. Het water wordt afgevoerd via allerlei figuurtje: de waterspuwers.

De gotiek houdt het lang vol, van zowat 1300 tot zowat 1600. We onderscheiden de vroeg-gotiek of lansgotiek, de midden-gotiek of stralende gotiek, en de late of vlammende gotiek (voorbeelden van de eerste vinden we vooral in het Scheldebekken, van de twee laatste vooral in Brabant).

De gotische bouwkunst wordt ook toegepast in de burgerlijke gebouwen, niet alleen officiële (belforten en hallen), maar ook huizen van gegoede burgers.

De beeldende kunsten zijn in deze tijd eerder functioneel: de beeldhouwkunst staat in dienst van de bouwkunst. De schilderkunst is een verluchtingskunst voor handschriften. Er zijn ook een paar zeldzame fresco’s.

De letterkunde kent in de gemeententijd wel een bloei. In de 13e en 14e eeuw bloeien de lyriek, de hagiografie (Leven van Sint-Lutgard) en het middeleeuwse toneel (Beatrijs). De top is het dierenepos Van den Vos Reynaerde.

Uit deze periode weten we betrekkelijk veel door de Nederlandstalige kroniekschrijvers, die op een subjectieve manier de gebeurtenissen weergaven, en didactische geschriften (De Spiegel Historiael van Jacob van Maerlant. Ook de mystiek beleefde hoogtepunten (Jan van Ruusbroeck en Hadewych). De godsdienstbeleving lag aan de oorsprong van de begijnhoven.