De reformatie was in onze gewesten voornamelijk het werk van de Calvinisten. Ze wilden de Kerk van gebreken zuiveren. De leer van Calvijn was zeer streng, en berustte op de onmogelijkheid van de mens om uit zichzelf het goede te doen (principe van Soli Deo Gloria: alleen aan God komt de lof toe van het goede dat we doen), en op de idee van predestinatie (slechts een deel van de mensen krijgt de genade, de anderen zijn verdoemd, we kunnen alleen maar goed zijn als we daartoe gepredestineerd zijn). Calvijn nam elementen over van Luther en Zwingli, maar in vergelijking met het strak geordende Calvinisme was het Lutheranisme bijna een soort anarchie …

Het Calvinisme kende veel succes, ook al omdat het velen een betere toekomst gaf. Het drong eerst het Zuiden binnen, en pas door toespitsing op de politieke strijd breidde het zich ook uit naar het Noorden.

Enkele tientallen jaren later deed ook de Kerk zelf een hervormingspoging: de zogenaamde Contrareformatie. Het Concilie van Trente (1545 – 1563) probeerde het katholieke geloof op punt te stellen, maar was vooral veroordelend. Bij de practische maatregelen die het uitvaardigde was o.a. de bul Super Universas. De bedoeling hiervan was de Kerk dichter bij de mensen te brengen door de bisdommen te verkleinen, en door een directer contact te verzekeren. Het Katholicisme zocht op die manier naar een vernieuwde kracht.

In onze streken wordt Leuven een werelduniversiteit, vooral befaamd op het gebied van theologie en taalkunde. Ermee verbonden was het befaamde Collegium Trilingue of Drietalencollege waar Grieks, Latijn en Hebreeuws werd onderwezen.

Ook de drukkunst ontwikkelt zich. Rond 1550 is ze volgroeid. In Antwerpen vestigt zich Plantijn met zijn schoonzoon Moretus. Ze drukten veeltalige woordenboeken, bijbels, atlassen … Kunst en wetenschap werden op die manier gemakkelijk verspreid.

In de wetenschap onthouden we de namen van o.a. Andreas Vesalius, lijfarts van Karel V (De humani corporis fabrica), Dodoens (Kruidenboek), Mercator (die als eerste de cylindrische tekening toepaste, zijn projectiemethode wordt in atlassen nog steeds gebruikt), en Ortelius (Theatrum orbis terrarum).

De levensbeschouwing van de Renaissance is het humanisme. In tegenstelling tot het theocratische gemeenschapsideaal van de Middeleeuwen staat in het humanisme de mens centraal als vrij, autonoom, kritisch en onderzoekend wezen. Geleerden van Europees formaat waren Erasmus (Lof der Zotheid) en de taalkundige Justus Lipsius.

In de letterkunde duren middeleeuwse tradities nog voort. De Rederijkerskamers verzorgen toneelopvoeringen (Mariken van Nieumeghen, Elckerlyc) op de landjuwelen, die schitterende cultuurfeesten waren. Op godsdienstig vlak ontstond naast mystieke literatuur (Die Evangelische Peerle) ook een strijdliteratuur rond Reformatie en de opstand tegen Spanje (Geuzenliederen, De Byencorf der H. Roomsche Kercke (1569) van Filips van Marnix van Sint-Aldegonde). Anna Bijns schreef tegen de Reformatie. Er ontstaat ook een Renaissanceliteratuur, die voortbouwt op Griekse en Romeinse tradities (Jan van der Noot, Dirck Volkertsz. Coornhert).

Ook in de plastische kunst blijven de Middeleeuwse tradities bestaan naast een weinig zuivere Renaissance. De Renaissance, die na de “duistere Middeleeuwen” een hergeboorte van de klassieke kunst beoogde, was gebaseerd op het Griekse maatgevoel, op de ideale verhoudingen van de “Gulden Snede” die men uit Griekse tempels en beelden afleidde. De kunst zou evenwichtig en symmetrisch moeten zijn, en rust uitstralen. Vandaar vele geïdealiseerde, statische voorstellingen.

In de bouwkunst wordt de Gotiek verrijkt met Renaissance-elementen: ingebouwde zuilen, frontons (driehoekige geveltop), kruisramen. Het is een analytische stijl, waarbij de delen opvallen in het geheel (in tegenstelling tot de daaropvolgende, meer synthetische barok). Een voorbeeld is het Stadhuis van Antwerpen, dat model stond voor West-Europa.

De schilderkunst werd druk beoefend. Breughel blijft aanleunen bij vroegere Vlaamse kunst in onderwerpen en uitwerking. Anderen volgen het Italiaanse academisme na. Quinten Massijs gebruikt een Renaissancetechniek met een Vlaamse geest.

In de muziek waren onze gewesten letterlijk toonaangevend met Josquin des Prez, Adriaan Willaert, Orlandus Lassus en Philippus de Monte.