Filips II was een Spanjaard, die de Nederlanden niet kende en niet begreep. Hij was een absoluut monarch (hij tekende met “Yo el Rey, Ik de koning”), wat botste met het zelfstandigheidsdenken in de Lage Landen. Zijn ambt was gebaseerd op goddelijke macht: een misdrijf tegen de religie werd een misdrijf tegen de koning, en omgekeerd. Tenslotte was hij, omdat hij zijn macht absoluut wilde houden, een traag en soms besluiteloze vorst: hij besliste vaak te laat, of verkeerd, zodat de zaken al uit de hand waren gelopen.

In de persoon van de koning vinden we zo al enkele oorzaken van zijn ongelukkig bestuur. Een andere oorzaak was de naijver tussen de standen: adel stond tegenover geestelijkheid, kleine adel tegenover grote. De grote adel was in alles bevoordeeld, de kleine adel leed onder de gewijzigde economische omstandigheden: omdat de basis van de economie van grond naar goud was verschoven, werd het rollende geld belangrijker dan grondbezit, vooral de kleinere grondbezitters leden hieronder, terwijl de hogere adel de administratie voor zich hield.

Tussen de bezitters en het proletariaat gaapte een heel brede kloof. Vooral de textielcrisis had een massale verarming van het proletariaat tot gevolg gehad.

De nieuwe godsdienst (protestantisme) was in de onlusten zowel oorzaak als drijvend element: de ontevredenen konden zich er verzamelen, men zocht er een oplossing voor zijn miserie. Bij economische motieven om elkaar te bekampen voegden zich zo religieuze elementen.


Tussen 1555 en 1567 maken we het voorspel mee van de strijd. Filips II bezocht onze streken die hij dan onder de hoede liet van de landvoogdes, Margareta van Parma. Dit was een degelijke leidster, die werd bijgestaan door de Raad van State, met daarin grote “inheemse” figuren zoals Willem van Oranje, Lamoraal graaf van Egmont, de graaf van Hoorne, en “buitenlanders” zoals Granvelle, Berlaymont, Viglius d’Aytta. De “inheemsen” waren vechters, de vreemden waren denkers. Filips had Margareta opgedragen vooral naar de vreemden te luisteren.

Granvelle had de grootste macht. Dat werd nog erger toen Filips één van de besluiten van het Concilie van Trente (1559) toepaste: het aantal bisdommen moest verhoogd worden. Voor de 17 provincies kwamen er nieuwe bisdommen (Mechelen, Antwerpen, s’ Hertogenbosch), en de adel vreesde hierin een maneuver van Filips II om, middels een scheefgetrokken verhouding in de Staten-Provinciaal, de macht van de adel te beknotten. De gewantrouwde Granvelle werd aartsbisschop van Mechelen benoemd, en werd vanaf dan het voorwerp van constante kritiek (de koning zelf durfde men niet raken), zodat hij in 1564 het land moest verlaten.


De inheemsen wonnen zo aan macht. Bij hen zocht men zijn toevlucht, o.a. om vervolging van de Calvinisten te milderen of zelfs af te schaffen. Egmont ging zo bij Filips II pleiten voor een afschaffing of versoepeling van de Plakkaten tegen de protestanten. Hij ving bot, wat dan weer het wantrouwen tegen de hogere adel voedde. De lagere adel sloot het Eedverbond der Edelen om hun belangen te verdedigen: alles moest gedaan worden om godsdienstvrijheid te bekomen, en de hogere adel werd uitgenodigd om kleur te bekennen. Oranje koos hun zijde, Berlaymont was radicaal tegen. Egmont weifelde, maar liet zich door Oranje overtuigen. In 1566 maakte het Eedverbond zijn wensen aan de landvoogdes bekend. Smalend noemde men hen “des gueux” (schooiers, bedelaars), waarna zij zich “Geuzen” noemden.

In 1566 gebeurde er iets wat alle plannen dooreen liet lopen. In Zuid-Vlaanderen hadden de hageprekers veel succes, en daar begon een plundering van kerken en kloosters. Zes weken lang raasde de Beeldenstorm van zuid naar noord. Filips II stuurde dan Alva, die zonder mededogen orde moest komen scheppen.