Rond 900 legt Reinier Langhals de grondslag van het hertogdom Lotharingen, met als één der centra Bouillon. De heren van Bouillon (o.a. Godfried) gaan de macht in handen nemen.

Brabant
Rond 1100 wordt een klein gebied rond Leuven enigszins uitgebreid, waarbij o.a. de Kempen wordt aangehecht. Het graafschap Leuven wordt in oppervlakte een tegengewicht voor Vlaanderen. Godfried I met de Baard neemt de titel aan van hertog van Brabant (voorheen : Lotherrijk). Omdat deze titel al was toegekend aan de heer van Limburg, werd er getwist, maar de ruzie werd opgelost doordat in 1155 de zoon van de hertog van Leuven de dochter van de hertog van Limburg huwde. Vanaf Godfried III vormen de twee gebieden één geheel onder dezelfde kroon. De verdere geschiedenis is een voortdurende strijd met het prinsbisdom Luik, met als inzet de weg Bavai-Keulen.

Het prinsbisdom Luik

Notger_-_kop_-_Saint-Jean
Notger(Luik,SintJacobskerk,1691)

Om een te grote versnippering van het land, en een te grote zelfstandigheid van de heren, tegen te gaan, gaven de Duitse keizers de lenen aan kerken en kloosters, zodat ze niet konden worden vererfd, en telkens opnieuw moesten worden toegewezen.
Het prinsbisdom Luik breidt uit en wordt een lange smalle strook van Nederland tot Frankrijk. Luik was een keizerlijke kerk (prinsbisdom) van Loon tot de Ardennen. Eén der belangrijkste figuren was Notger, die de Luikse school oprichtte.

De andere graafschappen (Namen, Luxemburg, Henegouwen) hadden weinig politieke invloed.