Brabant was een rustig gebied, veelal agrarisch, met geen echt grote steden. De hertog van Brabant kende dan ook niet dezelfde moeilijkheden als de graaf van Vlaanderen.

De hertogen wilden de weg Brugge-Keulen controleren. In de veldslag van Woeringen (1288) vocht hertog Jan I samen met Keulen en Rijnlandse bondgenoten tegen de hertog van Gelre en de graaf van Luxemburg. Brabant krijgt supervisie over de weg, en wordt uitgebreid met Limburg (d.w.z. het noordoosten van het huidige Limburg).

Na de Groeningheslag is er ook in Brabant sociale onrust. Rond 1306 worden die opgelost ten gunste van de patriciërs, die evenwel ook toegevingen doen aan de handwerkende stadsbewoners.

In 1360 is er in Leuven een opstand van het plebs onder leiding van Pieter Coutereel. Zij krijgen er meer macht. In Brussel haalden het de patriciërs, die zich toch ook in de toekomst soepeler opstelden, zodat in 1412 de handwerkers mochten deelnemen aan het bestuur.

In 1377 kregen de Leuvense patriciërs weer meer rechten, omdat de hertog van Brabant hun geld nodig had. Dit leidde tot een nieuwe opstand van de handwerkers, die 17 patriciërs van de bovenste verdieping van het stadhuis defenestreerden.

Twee maal konden de onderdanen van de hertog rechten afdwingen, telkens bij opvolgingsmoeilijkheden. Toen Jan II stierf in 1312 was Jan III nog maar vijf jaar. Toen werd het charter van Kortenberg afgedwongen: een raad van 14 leden (10 vertegenwoordigers van de steden, en 4 heren) zou in driewekelijkse vergaderingen controle uitoefen op de hertogelijke beslissingen.

Jan III stierf in 1355. Hij had twee zoontjes, die vóór hem stierven (Hendrik in 1349, Godfried in 1351), en er bleven drie meisjes over (Johanna, getrouwd met Wenceslas van Luxemburg; Margareta, gehuwd met Lodewijk van Male; en Maria, echtgenote van de hertog van Gelre). Teneinde steun te verkrijgen om te kunnen opwegen tegen Lodewijk van Male, legden Johanna en Wenceslas in 1356 de eed af op de Blijde Inkomst, die de basis vormde voor een meer democratische bestuursvorm. De bepalingen hiervan omvatten o.a. het volgende: een streven om de staat te doen bloeien (de hertog moet voor eenheid zorgen in zijn staten, zijn onderdanen beloven van hun kant de hertog te eerbiedigen; medezeggenschap (zonder de 14 kan de hertog geen beslissingen nemen inzake oorlog, het aangaan van bondgenootschappen, en financies); de magistratuur moet bestaan uit inheemsen.

Het prinsbisdom Luik breidt zich uit naar het noorden en het zuiden. Het land van Loon (zowat het huidige Limburg) wordt aangehecht. Toch verzwakt de Luikse macht. Luik kende immers in deze periode een vrij woelige sociale geschiedenis.

Om te beginnen proberen de Luikenaars, in de nasleep van de Guldensporenslag, de helft van de gezworenen in de stadsraad te mogen uitvaardigen (1303).

In 1312 proberen de patriciërs de macht te heroveren. De ambachtslieden reageren met een brutale moordpartij: de patriciërs vluchtten in de Sint-Martinuskerk, maar deze werd gewoon in brand gestoken, en wie binnen was werd er levend verbrand (deze gebeurtenis wordt herinnerd als de “Male Saint-Martin”.

In 1316 kon het gewone volk de prins-bisschop Adolphe de la Marck dwingen de Vrede van Fexhe te ondertekenen. Dit was een soort van Blijde Inkomst, waardoor de vorst het gezag moest delen met de “Sens du Pays”, te weten de vertegenwoordigers van de steden, van de clerus en van de adel. Later groeit dit uit tot de Staten van Luik. Alle rechten en vrijheden worden gevrijwaard. Alle burgers zijn gelijk, wie ze ook zijn, wat ze ook bezitten.